Wetenschappelijke verblinding vakgroep A&O

Freek Ossel, toenmalig wethouder Sociale Zaken van Amsterdam, was in zijn nopjes toen hij in november 2008 het rapport Competentieontwikkeling en Reïntegreerbaarheid van DWI-klanten in ontvangst nam van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Eindelijk zouden wetenschappers zich bezig gaan houden met het probleem van de langdurige werkeloosheid.

Ook Annelies Vianen, de bij het onderzoek betrokken hoogleraar, was enthousiast. In Open Mind, een uitgave van het Onderzoeksinstituut Psychologie, vertelde ze in 2011: “Zo’n manier van samenwerken zie ik echt als een win-win situatie: de opdrachtgever een wetenschappelijk verantwoord rapport en meetinstrument, wij onze publicaties in de vakpers en een promotie.”

Vianen wist wat ze zei, ze was immers al twintig jaar verbonden aan Programmagroep Arbeids- & Organisatiepsychologie (A&O). Als promotor zou zij wel even in de gaten houden dat promovenda Jessie Koen niet uit de bocht zou vliegen. Dienst Werk en Inkomen (DWI) kon alleen maar waar krijgen voor zijn geld. De bevindingen van drie onderzoeken – twee zouden in 2009 en 2012 afgerond worden – werden door Koen minutieus in kaart gebracht. Ze ontwikkelde een meetmethode die knelpunten van klanten [langdurig werklozen] richting arbeidsmarkt inzichtelijk kon maken.

Het onderzoeksmodel was er dan ook naar. Koen presenteerde een soort vijftrapsraket dat nauwgezet elke ‘motivatiebeweging’ van de klant op de re-integreerladder zou waarnemen. Niets zou nog aan haar aandacht ontsnappen. Eén onderdeel leek door het theoretische A&O-geweld echter vergeten: de klantmanager deed niet mee aan het onderzoek. ‘Zou dat soms het gevolg zijn geweest van het feit dat de DWI het financierde?’, dacht ik nog. Stel je voor, je betaalt een flink bedrag en dan wil je er ook iets goeds voor terug hebben.

Een vooroordeel waar Vianen wel meer mee te maken zal hebben, want ze  legt de spelregels van extern onderzoek in Open Mind als volgt uit:  “Als een externe opdrachtgever van onze expertise gebruik wil maken, spreken we af dat we onze eigen wetenschappelijke vragen mogen  stellen, onze eigen invalshoek mogen kiezen voor onderzoek. Anders gaan we niet met hem in zee.” Maar dat wil nog niet betekenen dat de  rol van de klantmanager zomaar weg gelaten kan worden. Zij wikken,  wegen, beschikken en hebben grote invloed.

Opmerkelijk, want in dezelfde tijd schreef de Amsterdamse Rekenkamer (2007/9) dat klantmanagers ‘niet zelden onder druk worden gezet om een “traject te vullen” wanneer dat achterblijft bij de contractafspraak. Ze hebben geen tijd voor de klant en weinig kennis van de arbeidsmarkt.’ Hoewel niet zo scherp geformuleerd, valt in het proefschrift (2012) van beleidsonderzoeker Paul van der Aa een soortgelijk geluid op te maken. Veel uitspraken van klantmanagers lijken een echo van de Rekenkamer: ‘Eigenlijk hebben we niks met trajecten te maken. Wij melden ze aan, dan houdt het een beetje op.’ Een collega: ‘ze stroomden uit en drie maanden later kwamen ze weer terug.’

Klantmanagers zijn ook niet te benijden. Door de hoge caseload (het aantal klanten) en administratieve rompslomp hebben ze weinig tijd voor hun klanten. Daar komt bij dat meer dan de helft van de bijstandsgerechtigden boven de 45 jaar is en velen ook te kampen hebben met psychische en fysieke problemen. De arbeidsmarkt is voor de meesten dan een gepasseerd station (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2012).

Het zou niet nodig moeten zijn om voor deze groep een duur meetinstrument te ontwikkelen om meer inzicht te verkrijgen. De werkelijkheid is eerder zoals een klantmanager uitdrukt: ‘Ik denk niet dat wij de illusie moeten hebben dat onze caseload uit kan stromen naar betaalde arbeid (anderen instemmend), maar we kunnen het ze wel een stukje makkelijker maken om te overleven’ (Van der Aa, 2012).

En het eindonderzoek van 2012? Dat lijkt een zachte dood te zijn gestorven. Gepubliceerd is het niet en bij de DWI is niets bekend. Op de webpagina’s van Vianen en Koen wordt het weliswaar vermeld, maar je krijgt geen reactie wanneer je er vragen over stelt. Twee vragen blijven daarom onbeantwoord: wat is de bijdrage aan de wetenschap geweest en wat zijn langdurig bijstandsgerechtigden ermee opgeschoten?

Ron Kretzschmar

-update-

Het proefschrift van Koen moet nog gepubliceerd worden schreef Annelies Vianen vandaag in haar e-mail (25/1) aan mij. Dat gebeurt op 4 april. Wat de promotie betreft ben ik dus te voorbarig geweest met deze column.

Wantrouwen tegen de overheid en instituties? Speelt mee. Affaire Diederik Stapel? Speelt mee. Eigentijdse hijgerigheid? Speelt mee. Wat vooral mee speelt is dat ik in het verleden o.a. A&O heb gestudeerd. A&O heb ik nooit anders kunnen zien dan als een opleiding voor hoger kantoorpersoneel, altijd lief voor het management en (indirect) richt het zich te veel naar de politiek. Hoort naar mijn mening niet aan een universiteit. Dat betekent natuurlijk niet dat ik niet eerst geduldig de antwoorden had moeten afwachten en beter had moeten zoeken. De informatie over de promotie van Koen, weliswaar wat verstopt, is wel degelijk te vinden

Het eindresultaat in april zal ongetwijfeld in het verlengde liggen van de twee eerdere rapporten in 2008 en 2009. Dat kan haast niet anders. Maar nu ben ik weer te voorbarig…

 Ron

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken