De Vlaams-Waalse fictie

15

In het televisieprogramma Buitenhof haalde Europees Commissaris Neelie Kroes onlangs uit naar partijgenoten Frits Bolkestein en Kamerlid Mark Verheien. De laatste had beweerd dat eurofielen als Guy Verhofstadt een gevaar vormen voor de Europese eenheid. Verheien denkt dat de lidstaten ‘federalist Verhofstadt’ niet lusten. Hij denkt dat de landen bang zijn om met deze Belg als voorzitter van de Europese Commissie hun identiteit zullen verliezen en zich af zullen keren van Europa. Oud-leider van de VVD en voormalig Europees Commissaris, Frits Bolkestein, in zijn nieuwe leven criticaster van Europa, viel Verheien bij: ‘Verhofstadt blaft naar de maan.’

Ondanks steun van het erelid kreeg Verheien zijn partij over zich heen – bijgestaan door het liberale zusje D66 dat moord en brand schreeuwde – waarop het Kamerlid gauw zijn excuses aanbood. Kroes legde het bij de publieke omroep nog maar eens nadrukkelijk uit: ‘Federaal in een Belgische mond is heel wat anders dan federaal in een Nederlandse mond.’ Bolkestein zou volgens Kroes niet weten waar hij het over heeft, om over Verheien maar te zwijgen. Een paar weken later stond ‘de Bolk’ op het Congres van de VVD met Kroes voor de camera te stralen. Ze begreep de oude rot wel, leek ze uit te drukken, hij wilde slechts stemmen terughalen van de PVV.

Baby Thatcher(s)

Federaal of niet, België wordt sinds jaar en dag beheerst door het neoliberalisme, iets waar veel burgers huiverig voor zijn geworden. In het boek De Vlaams-Waalse fictie van de Belgische socioloog Paul Dirkx, speelt ‘kampioen van het neoliberalisme Verhofstadt’ een prominente rol. ‘Baby Thatcher’, bijnaam van Verhofstadt, droomt al vroeg van een ‘neoliberale kuur voor België, zonder inmenging van de staat.’ Saneren en privatiseren is zijn missie, zoals econoom Milton Friedman en filosoof Friedrich Hayek hem in zijn jonge jaren bijbrachten. En Europa? Daarover constateert Dirx, in tegenstelling tot Kroes, ‘aanwezigheid van ideologische en technocratische affiniteiten tussen de conceptie van de Belgische staat en van Europa.’

Dankzij politici als Verhofstadt – het maakt weinig uit of het liberalen betreft, socialisten of christendemocraten – werden en worden belangrijke neoliberale beslissingen in België achter de rug van de burger genomen. Je leest in het boek zinnen als ‘België toonde zich zeer geneigd om te beantwoorden aan de internationale [neoliberale] financiële instellingen, maar de regering zal die inspanning verdubbelen voor Europa.’ Zoals wijlen christendemocraat Wilfried Martens en ‘socialistisch neoliberaal’ Karel van Miert er bijvoorbeeld ook niet voor het volk waren, ‘ze behartigden slechts bedrijfsbelangen en volgden slaafs de financiële wereld.’

Maar duidelijker dan door (voormalig) eerste minister Yves Leterme kan het niet gezegd worden: ‘Internationale instanties en markten zijn belangrijker dan tegenstellingen die eigen zijn aan de democratie.’ De burger dient zich niet met ons te bemoeien, beweert Leterme in feite, voor de rest mogen ze hun gang gaan. Waarop de man beloond werd met een mooie baan bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in Parijs, te beschouwen als een springplank voor een Europese carrière.

Etnoliberalisme

Is België te vergelijken met andere Europese landen? In ieder geval wel met het project Europa. Dirkx onderbouwt zijn betoog met veel details over Europa waarin België, maar ook Spanje en Italië, plaats zullen gaan maken voor de kleine zwakke regio’s die door het bedrijfsleven in een economische wedren steeds meer tegen elkaar uitgespeeld worden. De auteur koppelt de staatkundige evolutie van België en Europa aan het neoliberalisme en een politiek systeem dat belangen van het bedrijfsleven behartigt ten koste van de bevolking. Daartoe introduceert Dirkx een nieuwe term, ‘etnoliberalisme’, met de bedoeling ‘etnisch federalisme’ en ‘neoliberalisme’ samen te voegen in een alomvattend woord dat beter de sociale en economische ontwikkelingen kan beschrijven.

Wat Dirkx wil bijdragen met zijn boek? Iedereen in België (en natuurlijk de andere landen), Nederlands- en Franstalig (het boek werd eerder in het Frans gepubliceerd), moet zich kunnen informeren op basis van wetenschappelijk onderzoek en analyse van het ruim voorhanden zijnde feitenmateriaal opdat de mensen zelfstandig een mening kunnen vormen. Zodat ze niet alleen maar bloot gesteld worden aan hapklare meningen door de talloze partijdige rapporten die weer worden uitvergroot door de hitsige bevooroordeelde media, of hersenspinsels van de politiek en ideologische denktanks. Niet door links, noch door rechts.

De federalisering van België (en Europa) begint in het boek bij Gaston Eyskens die in de jaren ’30 van de vorige eeuw geïnspireerd raakte door Lodewijk De Raet, Brussels econoom en voorvechter van de Vlaamse zaak. Er is sprake van ‘dubbele antinomie’, dat wil zeggen: Frans-Belgisch contra Germaans-Belgisch. De progressieve Waalse gemeenschap oriënteert zich van oudsher op de universele waarden van de Franse Verlichting en de behoudende katholieke Nederlandstalige gemeenschap in Vlaanderen is meer Duitsgezind. Dat kan ook niet anders, want het kleine België zit ‘historisch ingeklemd’ tussen de dominante Latijnse en Germaanse cultuur. Bij tijd en wijle hitsen de tegenstanders, de Vlaamse en Waalse Beweging, de boel eens flink op. Zo wordt de Belgische staat geleidelijk ontmanteld.

Brussels by night

Neem de mythe van de staatsvorming van België: de staat zou ‘kunstmatig gefabriceerd’ zijn, opgelegd door buitenlandse mogendheden in 1831. Een geliefd onderwerp van de Vlaamse nationalist Bart de Wever, de man die Wallonië het liefst eigenhandig zou willen laten afzinken. Maar België is meer dan eigentijdse politieke spelletjes van televisiegenieke populisten, het staat aan de wieg van Vlaanderen, Wallonië en het Brusselse gewest, landstreken die toen nog niet zo genoemd werden. De streken waren wel al speelbal tussen de Germaanse en de Franse wereld ten tijde van het verdrag van Verdun (843).

Later zouden deze grootmachten een belangrijke rol gaan spelen in de verzwakking van de staat België. Dirkx beschrijft hoe de ‘taalkwestie’ (sinds 1830) daarmee samenhangt, maar vooral hoe die kon omslaan in een communautair probleem. En om alles in elkaar te laten grijpen als een ijzeren klem, is daar de onlogica van het proces van de federalisering: aan de ene kant het regionalisme dat moet beantwoorden aan markteconomische logica, tegenover het communautarisme dat de logica te boven gaat. Uitermate geschikt voor politieke spelletjes, met grote economische gevolgen.

Een toestand die je volgens Dirkx kunt aflezen aan de hoofdstad Brussel, het bestuurscentrum van Europa. ‘Brussel is fundamenteel een liberale stad’, beweerde een politicus eens trots. Dat was voor het Europese project op stoom moest komen. Inmiddels is Brussel de belangrijkste politieke stad van de wereld geworden, één van de rijkste regio’s, dé zakenstad van Europa. Ondertussen is er wel een enorme sociale kloof gegroeid. Arm en rijk leven langs elkaar heen als ware het bewoners van een ander land. Zeker 30 procent van de Brusselse bevolking leeft onder de armoedegrens in zeer slechte (maar dure) woningen, terwijl enkele straten verderop de machtige Europese gebouwen van het overbetaalde diplomatencircus trots staan te glimmen.

Ron Kretzschmar

16

 

titel  De Vlaams-Waalse fictie; Over België, Europa en het etnoliberalisme
auteur  Paul Dirkx
uitgeverij  EPO, 2013
uitgave   paperback (15 x 22,5 cm), 200p.
isbn  9789491297465
prijs  € 20.00
Share Button

3 Reacties op De Vlaams-Waalse fictie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken