Is een ombudsman wel opgewassen tegen de overheid?

02

Ombudsinstellingen zijn in het leven geroepen om burgers te beschermen tegen de willekeur van de overheid. Maar in de praktijk blijkt er onder ambtenaren soms weinig respect te zijn voor de ombudsman. De wisseling van de wacht bij de Nationale Ombudsman is een mooi moment om dit vraagstuk eens onder de loep te nemen.

Onderscheid maken tussen waarheid en suggestie is niet eenvoudig. Zelfs goed opgeleide specialisten zoals rechters en journalisten worstelen daarmee. Rechtspraak wordt onbewust beïnvloed door stereotypen en in de journalistiek vergeet men nog weleens feiten te checken. Wie de valkuilen van het denken kent, kan er ook makkelijk op inspelen. De professionele handelaren in illusies, zoals reclamemakers en politici, varen er wel bij.

Hoe een ombudsman zich wapent tegen de manipulaties en misleidingen die ze voor de kiezen krijgen, is een goede vraag. Een ombudsman wordt niet getraind om cognitieve valkuilen te herkennen en kan niet profiteren van kritiek, aangezien hij in de praktijk geen onafhankelijke verantwoording hoeft af te leggen. Bij afwezigheid van kritiek liggen bovendien de gevaren van ijdelheid en zelfoverschatting op de loer. Wat betekent dat voor de rechtspositie van burgers?

Objectieve informatie over de kwaliteit van ombudsinstellingen is schaars. Een landelijk tevredenheidsonderzoek onder klagende burgers viel enkele jaren geleden in het water omdat de meeste ombudsinstellingen er geen medewerking aan wilden verlenen. Bij het Bureau Nationale Ombudsman, waar jaarlijks rond de vierhonderd klachtprocedures worden uitgevoerd (duizenden andere klachten worden informeel afgedaan), nemen meer dan honderd burgers achteraf nog de moeite om bezwaar aan te tekenen. Dat is overigens een ondergrens. Het werkelijke aantal ontevreden klagers is niet bekend.

Om het rooskleurige, maar eenzijdige beeld dat van de ombudsman bestaat te kunnen nuanceren, moeten we dus afgaan op ervaringen die burgers zelf naar buiten brengen. Ik ga op zoek. Een korte google-search levert meteen zes praktijkvoorbeelden op. Even rondvragen nog een paar. Als ik mijzelf als ervaringsdeskundige er nog bij reken heeft mijn steekproef al dezelfde omvang als het onderzoek dat de Nationale Ombudsman zelf in 2010 heeft laten uitvoeren naar het eigen functioneren.

De beschreven ervaringen lopen sterk uiteen, maar hebben qua kritiek wel overeenkomsten. Als je door de toon van de soms wat emotioneel geschreven verhalen heen leest lijkt de ontevredenheid van klagers vooral samen te hangen met de logica waarmee de ombudsman tot zijn beslissing komt. Door zijn houding tijdens de procedure kan bovendien de schijn ontstaan dat hij niet geheel onpartijdig is. Een indruk die nog wordt versterkt als de dossierkennis te wensen overlaat.

Jente, een kleine ondernemer uit de culturele sector, die voor miljoenen is benadeeld door het optreden van een overheidsinstantie, merkt daarover op: “Als je klacht omvangrijker is dan een half A4-tje, wordt je informatie al niet meer gelezen.” Mascha, die klaagt over intimidaties door een gemeentebestuur, schrijft over de reactie van de ombudsman: “Zonder het dossier gelezen te hebben gewoon stellen dat het geen zin heeft en dat we er beter mee kunnen stoppen.” Zelf heb ik brieven van Alex Brenninkmeijer ontvangen die een ander onderwerp behandelden dan de vragen die ik had gesteld. Pogingen tot correctie bleven onbeantwoord.

De wet is ook niet altijd veilig bij de ombudsman, getuige het volgende voorbeeld. De gemeente Deventer heeft voor een intern onderzoek naar integriteitsschendingen een collega van de verdachte ambtenaren ingehuurd. Zoiets is bij wet verboden (art. 2.4, Algemene wet bestuursrecht). Volgens de memorie van toelichting moet zelfs de schijn van partijdigheid worden vermeden. In de uitspraak schrijft de plaatselijke ombudscommissie echter dat het ‘voor haar niet doorslaggevend is of een onderzoeker in een bepaalde betrekking staat tot degenen wier gedragingen hij heeft te onderzoeken.’

De oorzaak van deze misser blijkt te liggen in een simpele misleiding. De ingehuurde medewerker is door het gemeentebestuur voorgesteld als een respectabele deskundige van een gerenommeerd adviesbureau. Dat blijkt voldoende om een uitspraak op te baseren. De ombudscommissie motiveert haar uitspraak door te stellen dat ‘zo iemand alleen al uit een oogpunt van mogelijke reputatieschade een gedegen rapport zal afleveren.’ In werkelijkheid bestaat het adviesbureau niet, is de goed betaalde onderzoeker een gepensioneerde vrijwilliger uit het team van de verdachten en niet geheel ter zake kundig.

De verantwoordelijke rijksinspectie beweert later in de pers en tegen de minister dat zij de bedoelde integriteitsschendingen inhoudelijk heeft onderzocht, terwijl in werkelijkheid een verzoek daartoe is afgewezen. Een nieuwe klacht volgt. De uitspraak van substituut ombudsman Frank van Dooren over deze misleiding wordt weer ingetrokken als het verweer van de ondervraagde inspecteur, de enige bron van informatie die Van Dooren heeft gebruikt, bij nadere beschouwing geen correcte gegevens blijkt te bevatten. De zaak wordt na vier jaar uiteindelijk zonder onderzoek afgesloten.

Wat in de verhalen opvalt is het gebrek aan respect voor ombudsinstellingen. Ambtenaren houden zich niet aan de wettelijke informatieplicht en het verbod op beïnvloeding van de ombudsman lijkt weinig betekenis te hebben. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dit gedrag te maken heeft met het gebrek aan weerstand dat de ambtenaren ondervinden. Dergelijke signalen kunnen de indruk wekken dat alles toch wel wordt gelegitimeerd, zelfs als het om aan corruptie gerelateerde zaken gaat. Verloopt een procedure wel behoorlijk dan is er overigens geen garantie dat de aanbevelingen van de ombudsman ook worden uitgevoerd. Sommige klagers wijzen erop dat hun ombudsman dat achteraf ook niet controleert.

Aangezien de uitspraak van een ombudsman voor burgers het juridische eindstation betekent, kan dat allerlei nare en ongewenste consequenties hebben. De wetgever heeft de volksvertegenwoordiging ooit aangewezen om toezicht te houden op ombudsinstellingen. Het is te hopen dat Kamer- en gemeenteraadsleden die verantwoordelijkheid eens gaan vertalen naar de praktijk. Tegenwoordig worden alleen jaarverslagen beoordeeld die ombudsinstellingen in eigen beheer opstellen. Omdat ook in deze sector communicatieadviseurs en reclamebureaus actief zijn levert dat geen realistisch beeld op.

Behalve een kritischer houding van volksvertegenwoordigers lijkt een behoorlijke training voor ombudsmannen en hun medewerkers, met voldoende aandacht voor sociale psychologie, wetskennis en ethiek, noodzakelijk om de rechtspositie van burgers te verbeteren.

Jos van Oijen

 

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken