De Groote Klassenoorlog 1914-1918

04

Om een omverwerping van de heersende orde te vermijden, kwamen adel en burgerij begin vorige eeuw uit bij oorlog. Oorlog moest de revolutie en de democratisering tegenhouden. Maar het liep anders dan de elite verwacht had.

      door Martin Broek

De Groote Oorlog gaat over de plaatsbepaling van wat nu de Eerste Wereldoorlog heet. Het boek is een baksteen dik, niet vast te houden tijdens het lezen en zit barstensvol feiten. Er zijn alleen al 1002 eindnoten… Het lezen ervan is als het overzwemmen van een oceaan vol feitenparels. Iedere parel is mooi, maar iets minder en iets meer oever zou ook mooi zijn geweest.

De Canadese schrijver en historicus van Vlaamse afkomst, Jacques R. Pauwels, vangt aan met de Verlichting in 1789, ‘de mars naar meer democratie en de ontvoogding van de kleine man.’ Hij kan het niet laten ook terug te grijpen op oorlogen die aan de Verlichting vooraf zijn gegaan: de zevenjarige oorlog (1756-1763) en de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783). Die zorgden voor een fiscale crisis en creëerden een revolutionaire situatie. Oorlog baart oorlog, zo wil de schrijver benadrukken.

De centrale stelling van het boek is dat de Eerste Wereldoorlog is begonnen om deze vrijheden de kop in te drukken. Die oorlog was bedoeld om de arbeidersbeweging – die door de reactionairen als te sterk werd verondersteld – te disciplineren en onder controle te krijgen. Pauwels gaat daarin verder. De ‘contrarevolutionaire, antisocialistische’ wereldlijke en geestelijke elite wilde de oorlog gebruiken om de macht van adel, kerk en staat met krijgsmacht en kapitaal weer te herstellen. In die context hadden generaals er geen probleem mee op een dag duizenden mannen de dood in te jagen.

Socialisten

Pauwels voert een karrenvracht aan personen aan om zijn stelling te onderbouwen, zoals Alexis de Tocqueville, die uit de Franse revolutie leerde dat oorlog er toe kan dienen ‘sociale conflicten te neutraliseren.’ De overdaad aan citaten en opgevoerde personen wordt gebruikt om te overtuigen. Maar is dat nodig? Wel als je gaat geloven in je eigen these dat de Eerste Wereldoorlog een klassenoorlog was en dat je dit tegen de klippen op wilt bewijzen.

Dat officieren uit de betere standen kwamen en neerkeken op de soldaten hoeft toch niet te verbazen? In 1980 nog werd ik zelf door een officier geacht zijn schoenen te poetsen, iets wat ik weigerde, maar de man met de gouden strepen op zijn epauletten probeerde het wel. Die bewering van klassenonderscheid tussen rangen en standen wordt pagina’s lang onderbouwd.

Regelmatig moet ik tijdens het lezen van De Groote Klassenoorlog denken aan het boekenplankje vrijwel tegen het plafond boven mijn bureau dat werk bevat van Karl Liebknecht, Rosa Luxemburg en Henriëtte Roland-Holst. En, onvermijdelijk, ook Vladimir Iljitsj Lenin, de man die in het namenregister van Pauwels tot de best bedeelden behoort. Maar Jaurès, de Franse socialist tegen de oorlog die werd vermoord bij het uitbreken ervan – ontbreekt op mijn plank.

Allen hebben zich ingezet om de arbeidersbeweging tegen de oorlog en het bestrijden van de eigen klasse te keren en mechanismen van het militarisme te duiden. Ik lees in de biografie van Roland-Holst over Rosa Luxemburg: ‘De val van het proletariaat in den huidigen wereldoorlog is zonder voorbeeld, die val is een onheil voor de menschheid. Maar verloren zou het socialisme enkel zijn, zoo het internationale proletariaat de diepte van dien val niet meten, niet daaruit leren wilde.’

Het doet me ook denken aan de slogan die ik wekelijks voorbij fiets ter hoogte van station Sloterdijk in Amsterdam: ‘No war, but class war‘. Het mocht niet zover komen. De klassen zouden elkaar tussen 1914 en 1918 wereldwijd op dood en leven bestrijden waarbij zo’n 10 miljoen Europeanen om zouden komen. En met het leren wilde het ook niet erg lukken. ‘Bij het uitbreken van de oorlog jubelt de elite, en met reden: aan de stakingen en andere sociale problemen komt plots een einde. De ware of vermeende revolutionaire bedreiging gaat in rook op’, zo begint Pauwels aan het hoofdstuk De godsvrede en het einde van de politiek.

Daarin komt aan de orde het stemmen voor de oorlogsbegroting in Duitsland, de union sacrée (waarin tegenstellingen tussen socialisten en elite werden bevroren) of de censuurwetgeving Defence of the Realm (DORA) in het Verenigd Koninkrijk (wetgeving die nog tot in de jaren ’60 werd gebruikt tegen stakingen). Protesten van de socialisten bleven goeddeels uit. Die zouden de oorlog dan ook verzwakt uitkomen. De vakbonden verdubbelden hun ledental in de oorlogsjaren wél.

Animo

Er is een mythe ontstaan rondom de Eerste Wereldoorlog, namelijk dat er sprake van een groot enthousiasme was om te strijden. Dit enthousiasme zou echter van zeer korte duur zijn. Pauwels voert tal van citaten aan om dit duidelijk te maken. Aan Franse zijde vielen in de eerste maand 300.000 doden en gewonden, van de Britse troepen was tegen het einde van 1914 een derde gesneuveld. Dergelijke cijfers geeft het boek ook voor de oorlog in Oostenrijk-Hongarije, Servië, België etc. Generaals beschouwden dit als een ‘malthusiaanse manier om de al te talrijke massa’s uti te dunnen’, aldus de stevige woorden van Pauwels, zonder bronvermelding dit keer.

Om de soldaten aan het front te houden, was stevige propaganda nodig. Pauwels onderscheidt hierin vier stromen: de eigen nederlagen werden verzwegen, de anderen waren de oorzaak van de oorlog, ‘onze’ strijd was rechtschapen, en na de overwinning zou alles beter worden. ‘Wij krijgen noch brieven noch kranen te zien […] wij marcheren stom en stilzwijgend als slaven van de oorlogsgod’, citeert de schrijver een Franse soldaat. Voor de soldaten speelden drie mechanismen waardoor ze aan het front bleven: dwang, plichtsbesef en kameraadschap. Op de laatste dag vielen nog eens 2.738 doden, meer dan tijdens de landing bij Normandië in 1944.

Pauwels beschrijft ook de verbroedering die op het slagveld ontstond tussen de militairen van verschillende partijen die de in totaal 40.000 km lange loopgraven aan het front bevolkten. Niet alleen de kerstvoetbalwedstrijd van 1914 wordt genoemd, maar ook contacten op dagelijkse basis, zoals bij de Fontaine Père Hilarion waar zowel Franse als Duitse soldaten hun water haalden.

Een paar pagina’s later citeert de schrijver een Franse soldaat die zich herinnert dat hij een exemplaar van het tijdschrift Le Petit Parisien inruilde voor een Duitse krant. Het zijn dit soort geluiden over de oorlog die de hoop op een betere wereld bij mij zelfs nu nog, een eeuw later, levend houden.

Koloniën

Het deel van WOI waar geen sprake was van loopgraven lijkt vaak aan de aandacht van de publieke opinie te ontsnappen. De Somme en Ieper zijn WOI, Turkije al veel minder. Pauwels is een uitgesproken links en ook internationalistisch schrijver. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij stilstaat bij een andere reden van de oorlog, namelijk het graaien naar elkanders koloniën en het sneuvelen van soldaten in den vreemde: ‘De Eerste Wereldoorlog als laatste fase van de wedloop om Afrika.’ Soldaten uit de koloniën werden ingezet, maar met weinig respect behandeld.

Ook hier baart de oorlog weer nieuwe conflicten. De door de officieren onderdrukte Ieren zouden zich nog verder van de Britten afkeren. De Japanse veroveringen in Azië resulteerden in de wedijver tussen Tokio en Washington die uiteindelijk tot oorlog met de VS zou leiden. Het verband kan niet ontkend worden, maar dit is een voorbeeld van ‘grote halen snel thuis’ hetgeen in het boek regelmatig voorkomt.

Verderop in het boek wordt het ontstaan van het huidige China aangehaald als resultaat van de Russische revolutie, ook al mogelijk gemaakt door WOI, en een erfenis van een revolutie onder leiding van Mao’s communisten. Tegen welke prijs laat de schrijver weg. Bovendien kan je veel grote geopolitieke en economische processen afleiden uit de wereldoorlog van 1914-1918.

Je kan beter niet te grote slagen maken als je zo’n grabbelton – om het wat respectloos te zeggen – gebruikt. In het hoofdstuk De lange schaduw van De Groote Oorlog brengt Pauwels ons echter met rasse en niet altijd even adequate schreden terug tot op de dag van vandaag in de eindeloze oorlog tegen het terrorisme. Dan haak ik af.

05

Feiten

Ook Bismarck komt een paar keer in het boek aan de orde met een krachtige uitspraak. De Duitse industriëlen en landadel vonden elkaar, het was het samengaan van ‘rogge en ijzer’. Verderop in het boek haalt Pauwels Bismarck aan als hij zegt dat Duitsland door de oorlog zijn eenheid in het midden van de 19e eeuw had verwezenlijkt door ‘bloed en ijzer’. Alweer zo’n twee woorden slogan die blijft hangen. Door de veelheid aan feiten ga je dit soort patroontjes herkennen.

Een heel ander feit is de creatie van de Sacré Cœur basiliek die werd gebouwd om vergiffenis te vragen voor de zonden die Frankrijk had begaan, zoals de Commune van Parijs (1871) en de scheiding van kerk en staat (1905), aldus de schrijver. Wederom geen bronvermelding. Jammer, ik voel me dan niet helemaal senang om dit als feit op te voeren. Het kerkgebouw was in 1914 klaar, ‘net op tijd om de mensenmassa’s te ontvangen die door de oorlog God zouden terugvinden’, schrijft Pauwels.

Dat de cavalerie het in de tijd van het machinegeweer nog maar slecht deed, las ik deze zomer al in de New York Times, maar dat aan het Turkse front paarden nog wel eens bruikbare wapens waren, lees ik in De Groote Klassenoorlog. Pauwels voegt daar bovendien aan toe dat het op de blubbervelden van weinig nut was. De Britser generaal Haig weigerde echter afstand van zijn paarden te doen, toen hem bevolen werd om ze te laten verschepen naar Palestina. Zo verknocht was hij aan zijn bereden militairen.

Onlangs besprak ik voor Ravage het boek De kracht van het paradijs over Europa van Jonathan Holslag. Holslag beschrijft een gordel van onzekerheid die om Europa heen ligt. Pauwels haalt een revolutionaire gordel aan voor WOI die van Spanje, via Italië en de Balkan naar Rusland leidde. Het zijn dit soort schematische wetenswaardigheden die het tot een rijk boek maken.

In dit kader past dan weer het feit dat de Italiaanse socialistische partij als enige tot het einde tegen de oorlog gekant bleef. Een partij waaruit ene Mussolini, de uitgever van de krant Avanti, vertrok om zijn eigen partij te stichten. Waaruit de schrijver constateert dat het fascisme voortkomt uit de Grote Oorlog.

Ik kan wel genieten van de kleine feitjes, zoals de theoretische voettocht van België naar Zwitserland door de 40.000 km aan loopgraven. Het geeft mij – hoe banaal ook – een beeld van WOI dat ik voorheen nog niet had. Of dat Thomas Mann het uitbreken van de oorlog zag als ‘zuivering, verlossing van het giftige gemak van de vrede’. Deze schrijver wordt aangehaald om de sfeer in zijn tijd te duiden. Maar dat Mann zich later zou afkeren van die mallotige romantiek, vermeldt Pauwels niet. Is het soms omdat Pauwels zijn betoog ermee zou ontkrachten, indien de schrijver weer op zijn poten wordt gezet?

Liederen

Los van alle gegevens over propaganda, repressie, oorlogshandelingen en machtsspelletjes, valt het boek op door het grote aantal versjes en gedichten dat is opgenomen. De teksten zijn zowel pro als contra de oorlog; kwaad en vriendelijk, ironisch of direct. De teksten zijn divers en ook hier uitbundig veel en altijd vertaald.

In Flanders Fields van John McCrae ben ik door Pauwels opeens heel anders gaan interpreteren. McCrae was een Canadese luitenant-kolonel en bewonderaar van het Britse empire. Hij zag de animo voor de oorlog afnemen en schreef daarom een van de bekendste oorlogsverzen, bedoeld om de soldaten niet alleen moed in te zingen, maar ook aan het front te houden. Meeleven met de soldaten is prima, maar waarom Take up our quarrel with the foe (Neem ons gevecht met de vijand weer op) als versregel? Pauwels verwijst bovendien naar werk van Paul Fussell die dit gedicht ontlede en brandmerkte als een bijzonder krachtig en literair instrument voor oorlogspropaganda.

Er zijn versjes bij waar de schrijver geen genoeg van krijgt. Het valt op zodra je alweer de naam Georg Willis en het gedicht Any soldier to his son tegenkomt. Het zou prettig zijn geweest als Pauwels bij zo’n tweede, derde of vierde keer had vermeld dat het gedicht dit of dat onderstreept. Het zou het leesplezier hebben vergroot. Maar mooi zijn ze vaak wel. Ik kies er één uit:

Tien miljoen soldaten zijn ten oorlog getrokken.
En zullen misschien nooit terugkeren.
Tien miljoen harten van moeders moeten breken
Voor beminden die nutteloos sterven.
Het hoofd gebogen in verdriet
Hoorde ik een moeder eenzaam in haar oude jaren
Mompelen doorheen haar tranen:

Ik heb mijn jongen niet grootgebracht om soldaat te zijn,
Ik heb hem grootgebracht om mijn oogappel te zijn,
Wie heeft het lef om hem een geweer te geven,
Om te schieten op de lieve jongen van een andere moeder?
Laat de naties hun geschillen door bemiddelingen oplossen,
Het zwaard en het kanon hebben hun tijd gehad,
Er zou geen oorlog gevoerd worden,
Indien alle moeders zouden zeggen,
Ik heb mijn jongen niet grootgebracht om soldaat te zijn.

[Oorspronkelijke tekst Alfred Bryan, muziek Al Piantadosi (1915). (Wordt niet vermeld) Zie ook hier. Vertaling Pauwels.]

Twijfel

Heb ik met dit boek nu wezenlijk veel bijgeleerd? Wist ik dan al niet dat militarisme disciplineert, dat de krijgsmacht en er is om de heersende macht haar binnenlandse en buitenlandse politiek uit te laten voeren? De Groote Oorlog als klassenoorlog om het proletariaat weer onder controle te krijgen, daarvan neemt de schrijver gelukkig af en toe zelf afstand. Internationale concurrentie om toegang tot grondstoffen (zoals olie, ja toen al), wedijver tussen industriële supermachten (Engeland en Duitsland) en koloniale politiek blijken ook belangrijke drijfveren te zijn geweest.

Even lijkt Pauwels van zichzelf te schrikken en aan zijn eigen stellingen te twijfelen als hij schrijft: ‘Het was de bedoeling om […] een oorlog uit te lokken. De term ‘uitlokken’ is misschien enigszins overdreven. Maar de Europese elite stuurde zeker aan op oorlog en schuwde het risico ervan niet langer.’ Hier ben ik hem kwijt. ‘Uitlokken’ of erop ‘aansturen’ (wat een meer omvattende benadering lijkt), wat maakt het uit? Een paar bladzijden later schrijft hij weer dat de Duitse adel ‘aasde’ op de oorlog. Ja, mijn beeld van de Eerste Wereldoorlog is veranderd door het boek.

Tijdens het lezen van De Groote Klassenoorlog bekeek ik tevens de catalogus Oorlogsprenten van Jan Sluijters, gemaakt in het kader van een tentoonstelling in Museum de Fundatie in Zwolle. De prenten dienden als cover voor de Nieuwe Amsterdammer. Ze vertellen in detail, woord en beeld veel over de afschuw van en reden voor de oorlog.

Het boek van Pauwels is rijker aan feiten. Bovendien: het hoeft niet in een keer uit. Een vat vol schatten blijft. Toch, waarom niet meer in voetnoten gestopt – welke dwaas heeft er voor gezorgd dat deze plaatsmaakten voor eindnoten, zodat ik de hele tijd zit te bladeren? Had er niet het een en ander op een website gekund, eventueel met filmpjes, gedichten, verhalen van elders en activiteiten rond de herdenking of tegen oorlog?

Al voor ik De Groote Klassenoorlog ging lezen en bespreken, wist ik dat ik de cover zou noemen. Die is prachtig, met het futuristische schilderij uit 1915 La Mitrailleuse van Christopher Nevinson. Britse soldaten zitten met een machinegeweer in de loopgraaf. Nevinson heeft gruwelijker werk gemaakt en zijn schilderij Paths of Glory uit 1917 werd een jaar daarna zelfs geweerd uit een tentoonstelling.

06

 

titel  De Groote Klassenoorlog · 1914-1918
auteur  Jacques R. Pauwels
uitgave  paperback (15 x 22,5 cm) – 672p.
uitgever  EPO, 2014

isbn  9789491297694
prijs  € 34.90
Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

Nieuwsbrief
Meld je aan voor de maandelijkse nieuwsbrief:
Rubrieken
Volg ons op twitter