Rancière en de studentenrevolte

38

Jacques Rancière houdt college in het bezette Maagdenhuis, maart 2015

Het educatieve systeem wordt door de politiek geleidelijk aan een bepaalde manier van denken opgelegd: het managementdenken. Een soort denken dat ‘de nieuwe mens’ moet afleveren. Een rendabeler soort mens, welteverstaan.

     door Ron Kretzschmar

De 75-jarige Franse filosoof Jacques Rancière, afgelopen maart in Amsterdam voor de presentatie van zijn boek De geëmancipeerde toeschouwer, bezocht tevens het door studenten bezette Maagdenhuis van de Universiteit van Amsterdam (UvA). De filosoof kan je zowel theoreticus als ervaringsdeskundige van het protest noemen. In mei 1968 maakte hij de studentenopstanden in Parijs mee en sindsdien schrijft hij over de dissensus, oftewel het conflict. Een reden voor de studenten om de man uit te nodigen voor een gastcollege in het bestuurscentrum.

Met macht is vloeibaar, wat hij in zijn boek aanhaalt, verwijst hij naar de socioloog Zygmunt Bauman. ‘De voornaamste techniek van de macht is tegenwoordig de ontsnapping, de schijnbeweging, de ontwijking…’ Met andere woorden: de macht is onzichtbaar. Politici verschuilen zich makkelijk achter geglobaliseerde marktmachten om vervolgens ingrijpende economische maatregelen te nemen, wat steevast uitmondt in bezuinigingen.

Ze doen het voor komen alsof zij er voor ons zijn, hun primaire taak, zo beweren politici. Maar in feite gehoorzamen zij kritiekloos aan de markten. ‘Overheden zeggen uit economische noodzaak te handelen, ze kunnen immers niet anders. Maar die wereldregering van het kapitaal waar ze aan moeten gehoorzamen bestaat helemaal niet!’ Het is een alibi om de mensen een nieuw model op te leggen. Het is de taak van de dissensus om de macht weer zichtbaar te maken en terug te brengen naar de nationale ruimte waarbinnen het conflict democratisch kan bestaan. Zoals in het bestuurscentrum van de UvA.

  De rendabele mens

In een interview zal Rancière toevoegen dat de politiek het educatieve systeem een bepaalde manier van denken oplegt: het managementdenken. Een nieuwe soort denken met de bedoeling andere mensen (lees: de nieuwe mens) af te leveren. Een rendabeler soort mens welteverstaan. Er wordt telkens meer pressie uitgeoefend op studenten om binnen korte tijd een diploma te behalen. Wetenschappen die niet nuttig zijn, zullen verdwijnen. Denk met name aan de Geesteswetenschappen. In plaats van kritisch te leren denken over hun betekenis in de samenleving, worden studenten gestimuleerd om te calculeren in termen van winst en verlies.

‘Om dat aan het licht te brengen, moet een reconstructie worden gemaakt die de toeschouwer in het middelpunt van de discussies over kunst en politiek plaatst’, schrijft Rancière in zijn boek. Hij beschrijft hoe mensen passief kunst en cultuur aanschouwen, een toestand die kunstenaars en theatermakers telkens weer aangrijpen om ze actief bij het kunstwerk of voorstelling te betrekken. ‘De toeschouwer moet zich laten meeslepen in de magische kring van de theatrale handeling.’ Alles om de toeschouwer maar te emanciperen, zodat die een kritische bijdrage kan leveren aan de culturele gemeenschap. In vijf hoofdstukken analyseert Rancière deze wisselwerking tussen kunst, politiek en publiek om tot een geheel andere visie op de geëmancipeerde toeschouwer te komen dan gangbaar is.

Om bij het Maagdenhuis te blijven: Rancière beweert in het tweede hoofdstuk van zijn boek dat met de studentenopstand van Mei ’68 het tegenovergestelde werd bereikt. ‘Het enige wat ze bewerkstelligde, is dat ze onze maatschappij veranderde in vrije conglomeraten van losse moleculen, zonder enige verbondenheid, volledig overgeleverd aan de markt.’ De studenten waren slechts uit op de vernietiging van traditionele autoriteitsvormen die zich verzetten tegen de overal in het leven doordringende wetten van het kapitaal. We zagen vervolgens hoe zich tegenover deze melancholie van links zich een nieuwe rechtse woede ontwikkelde, die vervolgens de aanklacht tegen de markt herformuleerde. Het rendementsdenken kreeg vanaf toen vrij spel, wil Rancière ons maar zeggen.

  Geen werkelijkheid achter de werkelijkheid

Daarbij put hij rijkelijk uit de geschiedenis van de kunst en filosofie. Het bewust maken van de mensen heeft tot eindeloze omkeringen geleid van een veronderstelde werkelijkheid achter de werkelijkheid, stelt hij. We weten hoe gepassioneerd de kritische interpretatie van beelden en de onthulling van de erin verborgen bedrieglijke boodschappen kon zijn in het tijdperk tussen Roland Barthes’ Mythologieën en Guy Debords’ Spektakelmaatschappij.

We weten hoe die ontcijfering van deze boodschappen in elk beeld omgekeerd werd, met de gedesillusioneerde vaststelling dat er geen reden meer was om onderscheid te maken tussen beeld en werkelijkheid. Dat laatste als verwijzing naar Jean Baudrillards’ simulacrumtheorie waarin wordt gesteld dat de mens het contact met de échte wereld kwijt is, doordat hij een beeld van de wereld creëert zoals hij dat in de media aanschouwt.

Maar heeft Baudrillard niet óók een punt? In feite ligt het in het verlengde van wat Rancière zelf beweert over Mei ’68. Cynisch zou je kunnen beweren dat we in feite de hoofdrol zijn gaan spelen in onze eigen hyperindividuele reclamespot. Wij zijn het product geworden dat luidruchtig door ons zelf in de markt geplaatst moet worden. Liegen en bedriegen in deze Baudrilliaanse schijnwereld is de norm.

Of dat nu gebeurt tijdens een sollicitatie met gesjoemel van een cv waar meer dan 50 procent van de sollicitanten zich tegenwoordig schuldig aan maakt, of met de verkoop van risicovolle derivaten waarbij in de glimmende brochures argeloze kopers grote winsten worden voorgespiegeld. Om niet te spreken over gunstige belastingconstructies gegeven door overheden aan grote bedrijven, omdat die goed zijn voor de economie. Dat gaat weliswaar ten koste van de burgers en de derde wereld, maar zolang het binnen de wet (van winst en verlies) valt, slikken we de rest voor zoete koek.

  Business as usual?

Zouden de UvA-studenten iets hebben opgestoken van het gastcollege door Rancière? De bestuursvoorzitter werd vlotjes geofferd op het altaar van de democratie, waarna haar collega het stokje overnam. Door de studenten werd dit feit gevierd als een democratische overwinning. Maar het bestuur bleef ongewijzigd. Er komt een onderzoek naar de financiën van de UvA onder voorzitterschap van een voormalig politica, waarvan niet duidelijk is of deze nu democratisch gekozen is of in een achterkamertje werd benoemd. De rebellerende studenten zijn er zelf, getuige hun enthousiaste reacties, tevreden mee.

Inmiddels is aangekondigd dat op de Geesteswetenschappen flink bezuinigd gaat worden, waarna vervolgens vier historici naar andere universiteiten zijn vertrokken. Leegloop van het zinkende schip wordt nu gevreesd. Kortom, het revolutionaire elan lijkt vakkundig te zijn gedoofd. Business as usual aan de UvA?

 39

 

titel  De geëmancipeerde toeschouwer
auteur  Jacques Rancière (vertaling Joost Beerten en Walter van der Star)
uitgave  Paperback, 144 pagina’s
uitgeverij  Octavo publicaties, 2015
isbn  978 94 90334 14 7
prijs  15 euro

 

Share Button

1 Reactie op Rancière en de studentenrevolte

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken