Moreel erfgoed op de helling

14

Bas de Gaay Fortman schetst een context van bedreigd moreel erfgoed, zoekt aanknopingspunten voor de publieke moraal van vandaag en betrekt die op de aanpak van de grote problemen van onze tijd.

     door Hans Beerends

Voor de doorsnee, niet juridisch onderlegde, burger zijn wetten regels van de overheid die je, als ze in je nadeel werken, moet proberen te omzeilen. In deze opvatting worden zij gesterkt als ze zien hoe advocaten en juridisch adviseurs hun bekwaamheid vooral inzetten om, de voor hun klanten onwelgevallige wetten, te herdefiniëren, te ontlopen of niet van toepassing te verklaren.

Het misbruiken, negeren en pogingen om de wet straffeloos te overtreden noemt Bas de Gaay Fortman in zijn boek Moreel erfgoed het elfde gebod: ‘Overtreedt gerust de wet maar zorg er voor dat gij niet betrapt wordt’. Hij noemt enkele schokkende voorbeelden van fraude gepleegd door mensen op een hoog zakelijk en bestuurlijk niveau en schrijft dan: ‘Zo nestelt illegaliteit zich niet alleen aan de rand van de samenleving maar er ook midden in’.

  Respect voor moreel erfgoed

De 79-jarige Bas de Gaay Fortman, oud-politicus van de Politieke Partij Radikalen (PPR), voorloper van GL, en hoogleraar politieke economie, ergert zich aan deze oppervlakkige en opportunistische juridische spielerei en houdt een vurig pleidooi voor het respecteren van wat hij noemt ‘ons morele erfgoed’. Voor hem zijn wetten uitdrukking van een moreel erfgoed, ontstaan in een eeuwenlange strijd voor onderlinge redelijkheid, menswaardigheid en rechtvaardigheid. Het zijn aloude burgerdeugden, vastgesteld in nationale en internationale verdragen.

De Gaay Fortman noemt in dit verband onze grondwet die teruggaat tot De Unie van Utrecht van 1579 en die aanvangt met de stelling: ‘Allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.’ Hij benoemt ook de ‘Verklaring van de rechten van de Mens en de Burger’ uit 1789, het jaar van de Franse revolutie, alsmede de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’ uit 1948 die opent met: ‘Alle mensen worden vrij geboren en gelijk in waardigheid en rechten.’

Deze, en nog vele andere (inter)nationale verdragen en resoluties worden door De Gaay Fortman gezien als evolutionaire stappen in een beschavingsgeschiedenis die op weg is naar een internationale samenleving waarin onderlinge rechtvaardigheid en respect voor menselijke waardigheid centraal staan. Natuurlijk werden en worden de mooie uitgangspunten van deze verklaringen met handen en voeten overtreden. Liberté egalité was in 1789 niet weggelegd voor slaven noch voor vrouwen, maar de verklaring ondermijnde wel de tot dan toe gehuldigde vanzelfsprekendheid van deze onderdrukking.

De universele verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 was een reactie op de poging van het Nazi-bewind om in één klap de vorderingen van de westerse beschaving op het gebied van mensenrechten te vernietigen. Met de universele vaststelling van de fundamentele vrijheden en basisrechten van mensen, zo schrijft De Gaay Fortman, ‘heeft de mensheid de beschaving op mondiaal niveau getild.’ Maar met het op schrift stellen van deze waarden zijn we er echter nog niet. Het is aan nationale staten, sociale bewegingen en verantwoordelijke burgers om deze mooie aanbevelingen werkelijkheid te laten worden.

  Eeuwige beginselen

Hier neemt ook de bezorgdheid van De Gaay Fortman een aanvang. Hij ziet zowel bij burgers als juristen een afname van interesse voor dit morele erfgoed. Dat wat in eeuwen strijd bereikt is, dreigt te worden genegeerd, ontkend of zelfs bestreden. Als voorbeeld noemt hij de opkomst van nationalistische populistische partijen en het opportunisme van de traditionele middenpartijen om ermee samen te werken. Dat de VVD en het CDA de PVV in de armen sloten, een partij die openlijk het gelijkheidsbeginsel van onze grondwet ter zijde wil schuiven, vervult de jurist De Gaay Fortman nog steeds met afgrijzen.

Recht is voor hem meer dan wetshandhaving. Keer op keer komt hij daar op terug. Recht moet normatief zijn. Met andere woorden: gericht op billijkheid en rechtvaardigheid en als het blindelings opvolgen van een wet het tegenovergestelde tot gevolg heeft dan komt het recht feitelijk niet tot zijn recht. Voor De Gaay Fortman is een wet meer dan een maatregel, ontstaan op basis van tijdgeest en situatie; wetten moeten getoetst zijn op ‘eeuwige beginselen die boven de tijd verheven zijn; beginselen die dan ook genieten van een onwankelbaar gezag in elke tijd en op elke plaats en niet ter discussie staan.’

Bij aanvang van zijn boek behandelt hij dit principe met zijn juridische veroordeling van de leden van Hoge Raad die onder druk van de Duitse bezetter hun joodse president Mr. Visser zonder noemenswaardig protest lieten vallen. Aan het einde van het boek komt hij terug op deze beginselen, nu op basis van een uitspraak die de apostel Paulus deed in een brief vlak voor zijn executie door de Romeinen. In die brief vraagt Paulus zijn lezers aandacht te geven aan een zestal uitgangspunten bij de omgang met hun medeburgers. ‘Doe’, zo schreef Paulus, ‘al wat waarachtig, edel, rechtvaardig, zuiver, liefelijk en welgevallig is.’

En dan komt De Gaay Fortman, voor een rechtzinnig opgevoede gereformeerde jongen, tot een merkwaardige uitspraak. Kunnen we deze zes uitgangspunten, zo vraagt hij zich af, joods-christelijke waarden noemen? Nee is zijn antwoord. Griekse waarden dan? Nee is alweer het antwoord. Het zijn algemene deugden, beginselen, waarden en normen die hun ‘wortels hebben in een grote verscheidenheid aan, al of niet godsdienstige levensovertuigingen en culturen.’

  Zeven deugden

Deze zes deugden, De Gaay Fortman voegt er persoonlijk nog ‘vredelievendheid’ als zevende aan toe, zijn dus voor hem geen, zoals rechtgeaarde calvinisten belijden, door God opgelegde richtlijnen maar het zijn deugden die ‘eeuwig’ behoren tot de kern van het menselijk zijn. Deze kern is dus gericht op het handhaven en bevorderen van de zeven deugden.

Op zich een hoopvolle gedachte. Het ontkennen van deze kern c.q. het verwerpen van deze deugden kan leiden tot ondermijning, uitlopend tot vernietiging van het menselijke – zie het nazisme – maar de kracht van de eeuwige beginselen maakt dat het positief menselijke zich uiteindelijk (tot nog toe) als dominante stroming heeft kunnen handhaven. De Gaay Fortman ziet die burgerdeugden dan ook ‘als elementen van een kompas waarbij handhaving van de zeven deugden leidt naar beschaving en het ontkennen, het tegenwerken daarvan leidt naar barbarij.’

In de laatste 75 bladzijden worden de zeven deugden nog eens uitvoerig omschreven en geanalyseerd. In de huidige neoliberale sfeer waarin alle wetten die winstmaximalisatie en de obsessie voor economische groei bedreigen, gezien worden als lastige obstakels die zo snel mogelijk zouden moeten verdwijnen, waarschuwt hij ons met dit boek voor het gevaar dat wij lopen als wij de waarde en kracht van ons morele erfgoed door een zorgeloze mentaliteit laten verkwanselen.

15

 
 
 
titel  Moreel erfgoed; Koers kiezen in een tijd van ontwrichting
auteur  Bas de Gaay Fortman
uitgave  Gebonden, 400 pagina’s
uitgeverij  Prometheus, 2016
isbn 
9789035143319
prijs 
39,95

 
 

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

Nieuwsbrief
Meld je aan voor de maandelijkse nieuwsbrief:
Rubrieken
Volg ons op twitter