De stille kracht van Ry Cooder

De Amerikaanse veelzijdige muzikant Ry Cooder is bij het grote publiek een onbekende. Met het boek Ry Cooder, Meester in de Schaduw heeft muziekrecensent Wouter Bulckaert gepoogd dat recht te zetten.

     door Theo de Grood

Wanneer je als 17-jarige gitarist in je eerste bandje samenspeelt met Taj Mahal, maar overstapt naar achtereenvolgens Captain Beefheart en Little Feat, sessiewerk verricht voor Mick Jagger en Neil Young en een aanbod om in de Rolling Stones te komen spelen afwijst, lijkt dat nog het meest op een ongeloofwaardig filmscenario. Toch is dit een waargebeurde samenvatting van de eerste paar jaren van de muzikale carrière van Ry Cooder.

Ryland Peter Cooder (zijn ongebruikelijke eerste voornaam is een erfstuk van zijn verre Duitse voorouders), werd geboren in 1947 in Los Angeles. De man kan met recht de bekendste onbekende muzikant van de laatste halve eeuw worden genoemd.

Bijna onzichtbaar speelde hij samen met alle groten der aarde. Niet zozeer in dienst van hen of de studio’s, maar in dienst van de muziek zelf. Ook was hij als producer een katalysator die niet alleen musici van divers allooi op een creatieve manier bijeen wist te brengen, maar ook de meest uiteenlopende muziekstijlen op een eigenwijze manier met elkaar wist te combineren.

Het kenmerkt zijn bescheidenheid dat nooit eerder iemand op het idee kwam een biografie samen te stellen van deze opmerkelijke muzikant, maar daar is volkomen terecht onlangs verandering in gekomen met het verschijnen van het lijvige Ry Cooder, Meester in de Schaduw, samengesteld door Wouter Bulckaert.

  Wispelturig

Na de bijzondere start van zijn muzikale loopbaan bleek dat Cooder er moeite mee had zich permanent te binden aan een vaste band of muzieksoort. Eigen nummers schrijven ging hem eveneens matig af, maar de Amerikaanse muzikale historie bood genoeg aanknopingspunten voor een eerste soloalbum, getiteld Ry Cooder, dat uitkwam in 1970.

Met collega’s uit zijn vorige bands en onder leiding van producer Van Dyke Parks (o.a. Beach Boys) bracht hij een opvallende collectie bijeen van muziek die tegenwoordig onder de verzamelnaam ‘Americana’ zou worden ondergebracht. Oude blues van Leadbelly, Sleepy John Estes en Blind Willy Johnson, een paar obscure countrysongs, maar ook werk van Woody Guthrie en Randy Newman werden door hem ingrijpend aangepakt. Soms onherkenbaar van het origineel terwijl het totaalgeluid toch vertrouwd en traditioneel bleef.

Op zijn volgende album uit 1972 werd deze aanpak verder verfijnd. Wederom een door Parks geproduceerde mix van blues, country en traditionals, is Into The Purple Valley een vrolijk stemmende plaat, niet op de laatste plaats vanwege de onbezorgd nostalgische hoesfotografie.

In schril contrast daarmee wordt op het album de nodige ellende uit het Amerika van met name de jaren ’30 bezongen. Sombere teksten over harde arbeid, migratie, armoede, onderdrukking; het komt allemaal voorbij. Echter getoonzet in optimistisch klinkende melodieën en een vrolijke instrumentatie.

Deze paradoxale benadering zal het hele verdere oeuvre van Ry Cooder kenmerken. In tegenstelling tot zijn debuutalbum wordt Into The Purple Valley door de critici (weliswaar meer buiten dan binnen de VS) enthousiast ontvangen. Vooral in Nederland zijn de recensies juichend. Maar Cooder laat zich niet beïnvloeden door commerciële overwegingen of kritieken, positief dan wel negatief, en vaart uitsluitend op zijn eigen kompas.

  Muzieksoorten

Zijn volgende platen bevatten de ene keer vrolijke Tex-Mex klanken of Caribische muziek en dan weer moeilijk toegankelijke instrumentals met vroege New Orleans-jazz, dixieland en ragtime uit de jaren ’20.

De albums worden door de muziekpers beurtelings opgehemeld dan weer verdoemd richting uitverkoopbakken. Deze grilligheid, zowel in de aard van het materiaal dat hij produceert als de reacties daarop, kenmerkt het hele verdere verloop van Cooders carrière.

Zijn belangstelling voor andere muzieksoorten is onstuitbaar. Het Amerikaanse erfgoed blijft een belangrijke rol spelen, maar hij maakt meer en meer uitstapjes naar etnische en exotische culturen. Het zal de rode draad blijven in zijn gehele oeuvre. Hij werkt samen met musici uit Mexico, Hawaï, India, Mali, Tuva, Ierland, maar ook met rocktijdgenoten als John Hiatt en Nick Lowe en put daarnaast inspiratie uit alle mogelijke muzieksoorten als blues, country, jazz en latin.

Nooit als slaafs volger of imitator van die genres maar altijd vanuit zijn eigen invalshoek. Hij weet er zijn eigen draai aan te geven, evenwel zonder zelf nadrukkelijk aanwezig te zijn en werkt vernieuwend met groot respect voor de traditie. Daardoor krijgen veel van die samenwerkingsverbanden een experimenteel karakter of leiden ze vaak tot geluidslandschappen en klankexpressies, hetgeen bij puristen bijna per definitie verkeerd uitvalt. Die aanpak mondt soms uit in ‘moeilijke’ platen, maar voor de bereidwillige luisteraar met een open oor valt er veel avontuurlijk werk te beleven.

Zijn grootste commerciële succes boekt Ry Cooder pas in 1997 in de vorm van een samenwerkingsverband met een aantal stokoude Cubanen onder de verzamelnaam Buena Vista Social Club. Die mannen van veelal boven de tachtig speelden in een vorig leven traditionele Cubaanse dansmuziek.

Hij weet ze over te halen met hem de studio in te gaan en geeft aan hun traditionele geluid een typisch Cooderiaanse draai: oude opnametechnieken, maar door toevoeging van moderne elementen, waaronder natuurlijk zijn onvervalste slidegitaarspel, weet hij een geluid te creëren dat wereldwijd in brede kring wordt gewaardeerd.

In gezelschap van de Cubanen reist hij alle grote wereldpodia af, wordt er een begeleidende documentaire van het hele fenomeen gemaakt en tot dusver is het album ruim 9 miljoen keer verkocht. Ondanks het enorme succes blijft Cooder op de achtergrond en vervult hij zijn rol als doorgever van de muzikale traditie.

  Filmmuziek

Vanwege zijn experimenteerdrift en vermogen om muziek te minimaliseren tot alleen de broodnodige klanken, wordt Cooder al vroeg door regisseurs uitgenodigd om hun filmbeelden van geluid te voorzien. Dat was al begonnen in 1970 toen hij Performance van Nicholas Roeg (met Mick Jagger in een hoofdrol) van een snerpende slidegitaar had voorzien. Begin jaren ’80 werd hij zo’n beetje huiscomponist van gevierde regisseurs als Walter Hill en Wim Wenders. Ook in dit genre wist Ry Cooder zijn eigenwijze stempel te zetten. Met als onbetwist en grensverleggend hoogtepunt zijn soundtrack voor Wenders’ roadmovie Paris, Texas uit 1984.

Gebruikmakend van oude bluesthema’s verklankt hij in die film met spaarzame noten op een oude slidegitaar, een paar obscure snaarinstrumenten en een zoemende waterslang de leegte van het Amerikaanse landschap dat Wenders als metafoor aanwendt voor de eenzaamheid van de hoofdpersonen.

De muziek staat haaks op alle filmmuzikale tradities, ongeveer zoals Ennio Morricone een decennium eerder de western opnieuw wist te definiëren. De desolate sfeer die Cooder weet op te roepen is huiveringwekkend en vormt een perfecte eenheid met het verhaal dat Wenders vertelt en de beelden die hij daarvoor gebruikt.

Dit concept zal vervolgens door velen gretig worden gekopieerd. Niet alleen in films, maar nog altijd worden fragmenten ervan gebruikt in documentaires en zelfs reclamespots. De Amerikaanse woestijn is hierdoor voorgoed anders gaan klinken. Tegelijkertijd blijft het album echter ook zonder de beelden autonoom en tijdloos overeind.

Het succes van Paris, Texas zou Cooder in de loop van de jaren een reeks aan filmopdrachten opleveren. Inmiddels heeft hij meer soundtracks dan studioalbums op zijn naam staan. Ruim twintig films heeft hij inmiddels van een muziekspoor voorzien, overigens ook hier weer met wisselend succes en dito kritieken.

  Nieuw werk

De laatste decennia heeft het filmwerk echter weer plaatsgemaakt voor nieuwe studioprojecten. Als belangwekkendste uit deze periode kan genoemd worden de Californian Trilogy, bestaande uit de albums Chavez Ravine (2005), My Name Is Buddy (2007) en I, Flathead (2008). Drie opeenvolgende albums met sociaal/politieke onderwerpen, echter, zoals van oudsher bij Cooder te doen gebruikelijk, verpakt in humoristische en verhalende teksten.

Het grote verschil met zijn vroege werk: het merendeel van de composities is nu van eigen hand en de bezongen situaties zijn actueler van aard dan in zijn vroege werk. Zijn tot dusver laatste album is Election Special uit 2012, een cyclus van songs waarin Cooder van leer trekt tegen de Republikeinen en hun financiers.

Ry Cooder was en is een inspiratie voor vele collega-muzikanten. Sinds hij bijvoorbeeld in de jaren ’60 Keith Richards leerde wat een open G is, heeft die zijn gitaar nooit meer anders gestemd en geeft ook onomwonden toe dat hij alles van Cooder gestolen heeft wat maar mogelijk is. Daarnaast is Cooder van onvergelijkbaar belang als ontdekker, stimulator en doorgeefluik van met name de Amerikaanse muzikale traditie. Als zodanig hoort hij zonder meer thuis tussen muzikale etnografen als Harry Smith of Alan Lomax.

Van een concert dat Ry Cooder in 1987 in Californië gaf met The Moula Banda Rhythm Aces is een film gemaakt getiteld Let’s Have A Ball. Zeer de moeite waard om te bekijken, de 90 minuten durende concertregistratie is integraal op YouTube te aanschouwen.

  Meester in de schaduw

Wouter Bulckaert uit Gent is publicist en drummer, schrijft voor het onderwijsmagazine Klasse en recenseert muziekboeken. Daarnaast blijkt hij een Cooder-fan zoals je ze niet vaak tegenkomt. Voor de samenstelling van het boek Ry Cooder – Meester in de schaduw moet hij een indrukwekkende stapel muziek hebben doorgewerkt, beluisterd en geanalyseerd. Niet alleen ‘s mans indrukwekkende solo-oeuvre, maar ook nog eens een veelvoud daarvan aan platen van anderen waaraan Cooder heeft meegewerkt.

Verder heeft de auteur talloze interviews, artikelen en andere publicaties verzameld en alle informatie daaruit bijeen gebracht in dit boek. Als je zo’n bewonderaar bent ligt subjectiviteit op de loer, hetgeen ook wel naar voren komt uit de hoofdtoon van het boek. Evengoed laat Bulckaert de minder succesvolle producten van zijn idool niet onbenoemd.

Ondanks die nadrukkelijke hoofdrol blijft de grote afwezige in het geheel meester Cooder zelve. Een biografie schrijven zonder de hoofdpersoon ooit gesproken te hebben is natuurlijk mogelijk, maar in dit geval beperkt het boek zich grotendeels tot één lange plaatbespreking, waaraan de overige informatie ondergeschikt blijft.

Natuurlijk gaat het bij de bespreking van een kunstenaar ook op de eerste plaats om diens werk, maar daarmee schiet dit boek als biografie, in de zin van levensbeschrijving, tekort. Bulckaert dekt zich weliswaar charmant in door te beweren dat hij in feite de werkwijze van zijn idool plagieert: onderzoekwerk, bronnen raadplegen en met respect voor het origineel er zijn eigen stempel op drukken, maar in dit geval levert dat toch een wat mager resultaat op.

Wat niet wegneemt dat het enthousiasme en de muziekliefde van de pagina’s spat. De auteur heeft er in ieder geval een respectabel naslagwerk van weten te maken, voorzien van een verklarende woordenlijst met alle gebruikte (muziek)termen, een zeer uitgebreide discografie, veertien pagina’s met geraadpleegde bronnen en nog eens achttien met een namenregister.

Een paar minpunten neem je dan voor lief: de gefingeerde dialoogjes, waarmee de auteur waarschijnlijk beoogt de afstand tussen lezer en onderwerp te verkleinen, werken ronduit irritant en de mededeling dat Joachim Cooder de zoon van Ry is, geloven we na één keer lezen ook wel. Verder is het jammer dat ter verlevendiging van de tekst niet een aantal fotopagina’s zijn toegevoegd, zelfs geen enkele platenhoes kon er vanaf.

  Prima voorgerecht

Toch een prima initiatief dat het werk van Ry Cooder op deze manier is bijeengebracht en van ter zake doende commentaar is voorzien. Op die manier vormt het boek een prima (her)kennismaking met zijn oeuvre, gezien en gehoord door de ogen en oren van een ware liefhebber. Niet alleen voor degenen die al veel werk van Ry Cooder in hun platenkast hebben staan, maar ook als voorgerecht voor de liefhebber van (wereld)muziek die tot dusver het belang van Cooder daarin ontgaan is.

De belangrijkste bijwerking van dit boek is echter dat het enthousiasme van Bulckaert de lezer aanzet tot het (al dan niet opnieuw) beluisteren van het imposante en veelzijdige Cooder-oeuvre. Weinigen zullen dat in zijn compleetheid in huis hebben, maar dankzij YouTube en Spotify kan iedereen dit boek van zijn eigen geluidsspoor voorzien en genieten van al dat prachtigs dat Ryland Peter Cooder de afgelopen halve eeuw heeft bijgedragen aan de soundtrack van onze wereld.

De man is onlangs 70 geworden, doet het wat kalmer aan, al is hij nog regelmatig op Amerikaanse podia aan te treffen. Voor ons in de lage landen is het wachten op een optreden wat dichter in de buurt, maar ook op een nieuw albumproject van de meester, én, ondanks deze sympathieke poging van Wouter Bulckaert, op de échte biografie.

 

auteur  Wouter Bulckaert
titel  Ry Cooder – Meester In De Schaduw
uitgave  Paperback (15 x 22,5 cm), 406 pagina’s
isbn  978 94 6267 089 1
prijs  € 24.90
uitgeverij  EPO, Antwerpen, 2016

 

Share Button

1 Reactie op De stille kracht van Ry Cooder

  • Erna schrijft:

    Is het boek in Nederland te koop?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

Nieuwsbrief
Meld je aan voor de maandelijkse nieuwsbrief:
Rubrieken
Volg ons op twitter