Het nieuwe denken over groen en groei

Ecomodernisten verwijten de milieubeweging dat men is blijven hangen in een zuur doemscenario. Zij presenteren zichzelf als optimistische natuurliefhebbers met een groot vertrouwen in technologische oplossingen.

     door Hans Beerends

Op zaterdag 29 april namen wereldwijd honderdduizenden milieuactivisten deel aan de Peoples Climate March. Een paar dagen later vond in Pakhuis de Zwijger te Amsterdam een debat plaats met de auteurs van het boek Ecomodernisme. Waar de organisatoren van de klimaatmarsen ageren tegen economische groei, massaconsumptie, CO2-uitstoot, gentechnologie en kernenergie, pleit de nieuwste loot aan de milieubeweging, beter gezegd de uitdagers van deze beweging, in bijna alles voor precies het tegenovergestelde.

Ecomodernisten verwijten de milieubeweging dat zij is blijven hangen in een zuur doemscenario en niet meer open staat voor nieuwe ideeën. De modernisten presenteren zichzelf als pragmatische, optimistische natuurliefhebbers met een groot vertrouwen in technologische oplossingen. Grote tegenstellingen, of een rebelse provocatie die uiteindelijk een aanvulling kan worden?

   Wat willen deze pragmatici?

In plaats van het ideaal van leven in harmonie met de natuur, onder andere door kleinschalige biologische landbouw, willen ecomodernisten het wonen concentreren in megasteden, omringd door hoog intensieve landbouw met kunstmest, bestrijdingsmiddelen en genetische technologie. Verder pleit men voor vleesproductie via varkensflats. Daarmee komt er ruimte vrij voor de natuur, het voedsel wordt goedkoper en hard zwoegende boeren kunnen verhuizen naar de stad.

Op energiegebied staat men open voor kernenergie. Energieopwekking via zon en wind zal volgens hen nooit aan de toenemende vraag kunnen voldoen. Het aantal kerncentrales zal wereldwijd moeten groeien, van de huidige 450 naar 8.000 grote kerncentrales van 1.000 megawatt in 2040. In afwachting van voldoende energie via deze kerncentrales kunnen kolencentrales ingezet worden.

Marcel Crok, een jonge wetenschapsjournalist en schrijver van dit hoofdstuk in Ecomodernisme, acht de weerstand tegen kernenergie irrationeel. Sterker, hij vindt kernenergie de veiligste vorm van energieopwekking. Rampen in Tsjernobyl en Fukushima worden door hem sterk gerelativeerd. In Tsjernobyl, zo schrijft hij, stierven geen 200.000 mensen als gevolg van de ramp, zoals Greenpeace beweert, maar slechts 64. Hoeveel mensen later zijn overleden vanwege blootstelling aan radioactieve straling, is volgens hem niet met zekerheid vast te stellen.

In Fukushima stierf er zelfs niet één mens als gevolg van de kernramp. Wel stierven 18.000 mensen door de tsunami maar door de media is Fukushima de geschiedenis in gegaan als een kernramp. Wel geeft Crok toe dat sindsdien honderdduizenden Japanners in constante angst leven met het idee dat zij teveel blootgesteld zijn aan straling waardoor ze op termijn kanker zullen krijgen. Met een reeks cijfers en onderzoeksresultaten stelt hij de lezer gerust. Die cijfers zullen wel kloppen, maar 100 procent zekerheid kan ook Crok niet garanderen.

Opvallend in Pakhuis de Zwijger, nadat een energiedeskundige Crok’s berekeningen over de capaciteit van zon- en windenergie betwistte, hij razendsnel reageerde met de woorden „nou ja, als het wel zou lukken met zonenergie – natuurlijk – des te beter.” En tenslotte – weg met de soberheid – wenst Crok gewoon zoveel mogelijk economische groei. Auto’s, vliegtuigen etc. stoten weliswaar CO2 uit, maar dat houdt in dat we daarvoor snel een technologische oplossing moeten bedenken.

   Pronken met andermans veren

Op de discussieavond liet een van de auteurs van Ecomodernisme een paar dia’s zien waaruit bleek dat de hoeveelheid van een reeks giftige stoffen in de lucht de afgelopen dertig jaar drastisch is afgenomen. „Nou”, reageerde Donald Pols, directeur van Milieudefensie, terecht, „dat hebben we dan mooi voor elkaar gekregen.”

Dat soort positieve vooruitgang wordt vaker in het boek beschreven. Zaken die tot stand gekomen zijn door tientallen jaren strijd van de milieubeweging worden nu gebracht als zijnde bewijs dat het allemaal wel meevalt met de vervuiling. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de waarschuwing die in het rapport van de Club van Rome uit 1972 werd beschreven. Van al die doemverhalen, zo schrijven de ecomodernisten, is helemaal niets van uitgekomen.

Inderdaad, de bossen zijn niet verzuurd en het ozongat is verkleind dankzij voortdurende actie en pressie. De Club van Rome ging echter uit van deze toekomstige natuurrampen bij ongewijzigd beleid. Aan de andere kant zegt dit verhaal ook iets over de houding van de milieubeweging. Zij had positief behaalde resultaten openlijk moeten vieren. In plaats daarvan richt de milieubeweging zich vooral op het luiden van de noodklok. De ene dreiging is nog niet afgewend of de volgende staat alweer voor de deur.

Het imago van de milieubeweging wordt inderdaad nog te veel beheerst door somberheid en zuurheid waardoor zelfs bij het publiek een soort schuldgevoel wordt aangewakkerd. Een schuldgevoel waar een deel van het publiek zich in wil wentelen, terwijl een ander deel het geïrriteerd van zich afschudt. Een beetje van het optimisme overnemen van de modernisten zou bepaald geen kwaad kunnen.

   Oorlogsverklaring

In Nederland is het debat over ecomodernisme nog nauwelijks gevoerd. In de VS speelt de kwestie echter al vanaf 2004. Twee teleurgestelde milieuactivisten, Shellenberger en Nordhaus, schreven een essay met de titel The death of environmentalism. Volgens hen kwam de milieubeweging alleen maar met zure verklaringen, dramatische oplossingen en voorstellen die weinig effect sorteerden.

‘Wij zijn er van overtuigd geraakt’, schreven zij, ‘dat de milieubeweging met al haar niet onderzochte veronderstellingen, achterhaalde concepten en uitgeputte strategieën moet worden begraven zodat iets nieuws kan opbloeien.’ Een regelrechte oorlogsverklaring dus, het zou hen niet in dank worden afgenomen. Samen zetten zij een denktank op waaruit in 2014 Het Ecomodernistisch Manifest voortkwam. (tevens opgenomen als bijlage in het boek Ecomodernisme).

In de VS – uiteraard voorafgaand aan de komst van Trump – werd de dreiging van de opwarming van de aarde door de politiek en het bedrijfsleven uiterst serieus genomen. Elke twijfel over de uitkomsten van het IPCC-panel was verdacht. ‘Klimaatverandering’, zo schreef minister van Buitenlandse Zaken John Kerry, ‘vormt een grotere bedreiging dan terrorisme’.

Volgens wetenschapsjournalist Marcel Crok ontstond er een sfeer waarin elke criticus snel in de hoek gedrukt werd van de klimaatsceptici, of nog erger, klimaatontkenners. Volgens hem wordt bewust het woord ‘ontkenner’ gebruikt omdat dit verwijst naar de Holocaust. Crok noemt in het boek meerdere gevallen waarin journalisten en wetenschappers die zich kritisch uiten buiten spel worden gezet. Zo te lezen voelen veel ecomodernisten, terwijl ze de IPCC-uitkomsten in grote lijnen onderschrijven, zich sterk verongelijkt.

Zo suggereert duurzaamheidsadviseur Jean Paul van Soest in zijn boek De twijfelbrigade dat ecomodernisten er op uit zijn twijfel te zaaien over de wetenschappelijke consensus van klimaatwetenschappers. Anderen veronderstellen dat zij slechts boodschappers zijn van het neoliberale bedrijfsleven. Zelf ontkennen ze dat ten enenmale en ik denk dat ze daar gelijk in hebben. De cijfers van het IPCC (Integrated Pollution Prevention and Control) en de afspraken van Parijs worden thans in de hoogste regionen van politiek en bedrijfsleven onderschreven. Niet dat zij daar altijd naar handelen maar het principe wordt onderschreven.

Ecomodernisten staan er in feite alleen voor, en misschien zijn ze daarom wel zo kwaad. Een van de punten die zij benadrukken, en waar anderen niets van moeten weten, is de mogelijkheid van aanpassing aan de klimaatverandering (adaptatie, onder andere door het verhogen van dijken en het instellen van waarschuwingssystemen in plaats van wat nu gebeurt, alle kaarten zetten op het reduceren van CO2-uitstoot (mitigatie).

   Armoedebestrijding, dan duurzaamheid

In een aantal hoofdstukken van het boek beschrijven journalist en ontwikkelingswerker Ralf Bodelier en journalist Marco Visscher hoe de nadruk op duurzaamheid geleidelijk aan de noodzaak van armoedebestrijding op de tweede plaats heeft gezet. Zij pleiten voor het tegenovergestelde.

Dat streven kan ik volledig onderschrijven. Het uitkomen van het VN-rapport Duurzame ontwikkeling van de commissie Brundtland  leek op het eerste gezicht een gunstige doorbraak voor mondiale armoedebestrijding. Voor het eerst werd een relatie gelegd tussen milieuschade en armoede. Milieuschade leidt tot armoede en armoede creëert milieuschade, zo lazen milieuactivisten en derde wereld activisten deze boodschap.

Het zou uiteindelijk leiden tot een samenwerkingsverband dat begin jaren ’90 campagne voerde onder de slogan ‘Honger Hoeft Niet’. Ik was in die jaren voorzitter van dit verband en herinner me hoe teleurgesteld wij waren toen na de VN-milieuconferentie in Rio in 1992 het VN-beleid, maar ook het Nederlandse beleid, duurzaamheid steeds meer op de eerste plaats zette. De definitie van Brundtland kreeg een andere invulling. ‘Duurzame ontwikkeling’, zo heette het, ‘is ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder afbreuk te doen aan het vermogen van toekomstige generaties om te voorzien in hun eigen behoeftes’.

Volgens Ralf Bodelier leidde dat in de praktijk tot een microlening voor een os maar niet voor een tractor, en een zonnepaneel voor een lemen krot maar geen ontwikkelingsgeld voor grootschalige energievoorziening. ‘Om de 700 miljoen allerarmste mensen in Afrika en Azië uit de armoede te halen’, zo schrijft hij, ‘is een forse economische groei nodig die niet afgeremd moet worden door de wens om dat louter op een duurzame wijze te doen’.

De nadelen van niet-duurzame energievoorziening moeten volgens Bodelier in Azië en Afrika voorlopig weggestreept worden tegen de economische voordelen. China wordt aangehaald als voorbeeld waar in de afgelopen decennia 700 miljoen uit de armoede kwam door investering via kolencentrales. Nu de armoede daar grotendeels is opgelost, is men begonnen met het zoeken naar een oplossing voor de gigantische milieuverontreiniging.

   Ambivalente gevoelens

Het betoog van de ecomodernisten leidt tot ambivalente gevoelens. Weliswaar ontkennen zij het huidige neoliberale economische model te omarmen, maar nergens lees ik dat de baten van ongehinderde economische groei die zij voor staan omgezet worden in bijvoorbeeld halvering van de arbeidstijd of het financieren van openbare nutsbedrijven. Het mensbeeld van de ecomodernist is toch het eenzijdig economistisch denkende en het geobsedeerde op consumptiebevrediging gerichte individu.

Dat zij opkomen voor de armen in Azië en Afrika is te prijzen. Het is ook reëel om, zolang er armoede op die continenten heerst, duurzaamheid niet dwingend op te leggen. Hetzelfde geldt voor de hierboven beschreven consumptiedrift. Als in de westerse landen vanuit duurzame, culturele en morele overwegingen gestreefd zou worden naar matiging van consumptie, dan hoeft dat niet te betekenen dat diezelfde lijn ook direct nagestreefd wordt in de armere landen.

Wellicht moeten we naar een groei in twee snelheden waarbij zowel voor arme als rijke landen geldt dat vooral gekeken wordt naar de positie van de armen. Naar aanleiding van de opkomst van landen als China, Brazilië, India hoor je in Nederland bedrijfsleiders en politici roepen dat we de concurrentie keihard moeten aanpakken. Waarom, zo vraag ik me af, kunnen we niet gewoon even eens stapje terug zetten en arme landen even voor laten gaan. Gezien de aangekweekte kooplustige mentaliteit in westerse landen zal dat voor politici nog een hele toer worden. Maar wie weet, laten we met optimisme de toekomst tegemoet zien.

 

titel  Ecomodernisme – Het nieuwe denken over groen en groei
auteurs  Marco Visscher & Ralf Bodelier (red.), Hidde Boersma, Bart Coenen, Marcel Crok, Joost van Kasteren en Rypke Zeilmaker
uitgeverij  Nieuw Amsterdam
uitgave  Paperback, 304 pagina’s
isbn  9789046821817
prijs  € 22,99

 

Share Button

2 Reacties op Het nieuwe denken over groen en groei

  • Anoniem schrijft:

    Kwam laatst ook al in aanraking via het nieuws met de zgn. ecomodernisten. Deze mensen zitten er natuurlijk faliekant naast en ik hoop niet dat ze veel aanhangers zullen krijgen!. Het woord eco is dan ook erg misplaatst in hun naam.Ik ga voor echte duurzaamheid.

    • knarfist schrijft:

      Koop het boek vooral niet.
      Binnenenkort zonder boomblaadjes verkrijgbaar .

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*

Nieuwsbrief
Meld je aan voor de maandelijkse nieuwsbrief:
Rubrieken
Volg ons op twitter