De ‘waarheid’ over Rwanda

Explosief, of profiteren van andermans ellende?

Binnenkort verschijnt een boek dat wordt aangeprezen als ‘de explosieve waarheid over de genocide in Rwanda’. In werkelijkheid betreft het voornamelijk gerecycelde propaganda uit de jaren ’90.

      door Jos van Oijen

De geschiedenis van de genocide tegen de Tutsi’s in Rwanda is na 24 jaar onderzoek wel grotendeels duidelijk, zou je denken. Toch verschijnt er nog regelmatig iemand in de media die ons probeert wijs te maken dat we voor de gek zijn gehouden. In deze traditie geeft Amsterdam University Press binnenkort De Waarheid Over Rwanda uit, een boek van de Canadese journalist Judi Rever.

Volgens Rever zou het Rwandees Patriottisch Front (RPF), de toenmalige rebellenbeweging bestaande uit hoofdzakelijk Tutsi’s, de genocide zelf hebben voorbereid, ontketend en aangestuurd door allerlei organisaties te infiltreren, inclusief de extremistische Hutu-milities. Daarnaast zou de beweging zelf een tweede genocide hebben gepleegd met ditmaal Hutu’s als slachtoffer.

Anders dan haar voorgangers trekt Rever de aandacht van de internationale media omdat zij een top secret rapport van het Rwanda tribunaal (ICTR) in haar bezit heeft gekregen. Volgens Rever gaat het om een ‘officieel compendium’ van RPF-misdaden dat alle kennis over de genocide op zijn kop zou zetten en daarom in de doofpot is beland.

   Echo’s uit het verleden

Na enig zoeken vonden ook wij het bewuste rapport. De status van het document blijkt een stuk minder dramatisch dan Rever ons wil doen geloven. Het is een tussenrapportage met hoofdzakelijk informatie van politieke dissidenten en deserteurs. Als beloning kregen de informanten asielstatus in het Westen. In de meeste gevallen was nog geen ondersteunend bewijs verzameld.

Bovendien zijn delen van zowel het ICTR-rapport als Rever’s boek inmiddels achterhaald. Volgens hun bronnen zou een RPF-commando de fatale aanslag op president Habyarimana hebben gepleegd die algemeen beschouwd wordt als het startsein van de genocide. Maar vorige week werd in Parijs bekend gemaakt dat twintig jaar onderzoek door de Franse justitie dat niet heeft kunnen aantonen.

Is De Waarheid Over Rwanda een baanbrekende studie, zoals de uitgever suggereert, of moeten we het met een korreltje zout nemen? Volgens grote mensenrechtenorganisaties, talloze academici en het ICTR, is in 1994 zo’n 75 procent van de Tutsi-minderheid in Rwanda vermoord door extremisten van de Hutu-meerderheid. Hutu’s die weerstand boden of voor Tutsi’s werden aangezien, ondergingen hetzelfde lot. Jarenlange propaganda was daaraan voorafgegaan.

Dat het RPF zich in de oorlog tegen het genocidale regime en vervolgens ook schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen is niet omstreden. Daar zijn al veel details over gepubliceerd door bekende academici en grote mensenrechtenorganisaties. Rever somt ze nog eens op, zij het met andere, veel hogere slachtofferaantallen.

Andere beschuldigingen zijn ook bekend, maar dan uit oude publicaties van het extremistische regime. Rever weet daarin geen onderscheid te maken. Beweringen over geheime infiltraties stonden bijvoorbeeld al in december 1991 in het Hutu-Power blad Kangura, toen nog slechts als voorspelling van wat het volk volgens de auteur allemaal te wachten stond.

   Infiltratie als mantra

Volgens het verhaal in Kangura werden eerst de onafhankelijke kranten in Rwanda geïnfiltreerd, en vervolgens de politieke oppositiepartijen. Daarna zou het RPF de etnische en regionale tegenstellingen aanwakkeren en zouden infiltranten proberen om Rwandese soldaten te hersenspoelen. Tenslotte zouden criminelen worden aangezet tot het plegen van misdaden en zouden gewapende handlangers zich in Rwanda verspreiden als een vijfde kolonne.

Met dit verhaal, afkomstig van het ministerie van Defensie, werden in één klap alle critici van president Habyarimana, maar ook gewone Tutsi-burgers, verdacht gemaakt. Tijdens de genocide in 1994 werden de vermeende ‘infiltranten’ en ‘handlangers’ belangrijke thema’s op Radio Télévision Libre des Mille Collines (RTLM), de beruchte haatradio, en gebruikt als motivatie voor de jacht op Tutsi’s en politieke tegenstanders.

In het boek van Judi Rever is ‘infiltratie’ ook een soort mantra geworden. Het thema komt meer dan veertig keer terug. ‘De RPF-strategie om de macht te grijpen in Rwanda’, concludeert Rever, ‘had drie doelstellingen: infiltreren, aanstichten en verbergen’. Het RPF zou de haat van de Hutu’s tegen hun Tutsi-verwanten zelf hebben gemanipuleerd.

Tegen het einde van de genocide beweerde het radiostation zelfs dat RPF-infiltranten, verkleed als leden van de Interahamwe-militie, Tutsi’s terroriseerden bij wegversperringen. De echte Interahamwe zouden aan het front vechten. ‘Maar degenen die plunderen, die zich bezighouden met groepsverkrachting, al degenen die zich vermommen als Interahamwe, laten zich raden omdat ze hier zijn en we ze kunnen zien’, aldus een omroeper.

Na de overwinning van het RPF in juli 1994 zette het gevluchte regime de propaganda voort vanuit het buitenland. Ook daarvan vinden we bij Rever voorbeelden terug. Zo echoot ze de suggestie van een voormalige minister, later herhaald door radicale genocide-advocaten zoals haar landgenoot Christopher Black, dat de vele lijken die tijdens de genocide in Rwandese rivieren dreven Hutu-slachtoffers van het RPF zouden zijn geweest.

Maar in april en mei 1994 rapporteerden waarnemers van Artsen zonder Grenzen en Reporters without Borders dat er tot wel vijfduizend Tutsi’s per dag in de rivier eindigden. En hoewel er best slachtoffers van het RPF tussen zullen hebben gezeten, vertoonden de tienduizenden lijken die uiteindelijk op de oevers van het Victoriameer aanspoelden bijna allemaal machete-verwondingen: de signatuur van de Interahamwe.

   Nazi-vernietigingskamp

Het meest onthutsende verhaal in Rever’s boek gaat over een militair kamp nabij Gabiro, in het noordoosten van Rwanda, dat dienst zou hebben gedaan als een vernietigingskamp gemodelleerd naar nazi-kampen zoals Auschwitz en Treblinka tijdens de Tweede Wereldoorlog.

‘De RPF-leiders waren zich bewust van de geschiedenis en lijken de methoden van het Derde Rijk te hebben bestudeerd’, concludeert Rever. Honderdduizenden Hutu’s zouden volgens Rever in Gabiro zijn vermoord, hun overblijfselen verbrand in open lucht crematoria of opgelost in zuur. De as zou met bulldozers zijn verspreid in de omgeving.

De oorsprong van dit verhaal is te herleiden tot een film uit 1996 van twee Canadese documentairemakers, Danièle Lacourse en Yvan Patry. In deze film, met als titel Kroniek van een aangekondigde genocide, zien we onder anderen een medisch student die vanaf augustus 1994 in het kamp zou hebben gewerkt als verpleegkundige.

‘Daar begon ik me zorgen te maken over het RPF’, vertelt de man voor de camera. Een bevriende soldaat zou hem hebben verteld dat er iedere nacht meer dan duizend Hutu’s werden vermoord. In vijf dagen tijd zou de soldaat zesduizend slachtoffers hebben geteld in Gabiro. Hun lichamen zouden zijn verbrand en de as ondergeploegd in de omgeving.

Judi Rever gebruikt een andere versie van dit verhaal in haar boek. Ze zou een brief van de man hebben gevonden in een map met oude documenten. Het verhaal van de bevriende soldaat vindt nu een maand eerder plaats, niet in Gabiro maar in een deelgemeente van Kigali. De student zou later zijn overgeplaatst naar het kamp in Gabiro. Daar zag hij ‘s avonds dikke rook opstijgen uit een naburig kamp, reden voor hem om aan te nemen dat wat hij in Kigali had gehoord ook in Gabiro plaatsvond.

Er zijn nog meer versies van dit verhaal in omloop, in 1996 gepubliceerd in Franse en Engelse kranten. De student blijkt een 25-jarige Hutu te zijn, aangeduid als Pierre N. In die artikelen veranderden nog meer details, maar wat alle versies gemeen hebben is dat de man zelf geen misdaden heeft gezien in de acht maanden dat hij in het Gabiro-kamp heeft doorgebracht.

Journalist Nick Gordon is er nog persoonlijk gaan kijken. En hoewel een van Rever’s sleutelgetuigen – een voormalige RPF-soldaat – beweert dat het vermoorden en cremeren van Hutu’s toen nog steeds plaatsvond, trof Gordon alleen wat primitieve legerbarakken aan. ‘Het is moeilijk te geloven dat deze stip op de kaart een vernietigingskamp is’, schreef Gordon, die het kamp desondanks met Auschwitz vergeleek op basis van het verhaal van Pierre N.

In de jaren daarna hebben andere auteurs steeds meer nazi-elementen aan het verhaal toegevoegd. In het huidige boek van Judi Rever is de metamorfose voltooid; van de bouwvallige barakken die Gordon zag tot een heus nazi-vernietigingskamp met alles erop en eraan.

   Amerikaanse tv-serie

De crux van Rever’s verhaal is dat de Hutu-genocide in het diepste geheim en ‘s nachts zou hebben plaatsgevonden, zonder sporen achter te laten. Consistente getuigenverklaringen zijn niet voorhanden. Het is dus een kwestie van geloven of niet geloven. Wat nog wel kan worden vastgesteld is of de theorie enige basis in de realiteit heeft.

Reza Gerretsen, de arts-forensisch antropoloog van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en Sophie Churchill, die leiding heeft gegeven aan het Corpse Project, een body farm in Engeland, waren bereid om commentaar te geven op de exterminatiemethoden die Rever in haar boek noemt.

„Een stoffelijk overschot cremeren gaat relatief snel en er is maar weinig brandstof voor nodig”, vertelt Gerretsen. „Dat komt door het lichaamsvet dat bij verhitting vrijkomt en de verbranding in stand houdt. Maar bot is een ander verhaal, dat ben je niet zomaar kwijt.”

„Als je lichamen verbrandt dan blijf je meestal achter met delen van schedels en grote pijpbeenderen zoals dijbeenbotten”, leggen beide experts uit. „Wordt er gesuggereerd dat de resten gereduceerd worden tot een gelijkmatig, vrij fijn stof dat verspreid zou kunnen worden?”, vraagt Churchill zich af. „Dat is niet waarschijnlijk. Wat we in dit geval as noemen zijn vermalen botten.”

Het detail van de bulldozer vindt Churchill ook niet erg geloofwaardig. „Als er elke nacht veel verbrandingen waren dan zou de bulldozer uiteindelijk over een erg groot gebied moeten bewegen. Het is geen goede machine om as in de grond te werken.”

En het alternatief? De zuurmethode?

„Lijken oplossen in zuren is onpraktisch en gevaarlijk”, meent Gerretsen, die zelf een paar zuurmoordzaken heeft onderzocht met zijn collega’s van het NFI. „Het duurt bovendien erg lang en je houdt nog steeds een beetje restmateriaal over.”

Volgens de wetenschappelijke publicatie over deze zaken waren de daders wekenlang aan het knoeien met containers gevuld met zuren om een paar slachtoffers te laten verdwijnen.

„Je moet niet denken dat een stoffelijk overschot geheel verdwijnt in zuur”, legt Gerretsen uit. „Dat zie je weleens in een Amerikaanse tv-serie. Dan lost een lijk zo op. In de praktijk is dat anders. De logistiek is ook een probleem.”

Niet plausibel dus, dit verhaal?

Gerretsen: „In de genoemde context en met zulke enorme aantallen slachtoffers is het zeer onwaarschijnlijk.”

   Slechte vergelijking

Een vergelijking met de echte nazi-vernietigingskampen maakt Rever’s verhaal er niet aannemelijker op. De SS was eerst maandenlang aan het experimenteren om problemen met de open lucht crematies het hoofd te kunnen bieden en om van de exterminatie een industrieel proces te maken met hulpmiddelen die in Rwanda ontbraken.

Het onderwerken van de overblijfselen bleek ook lastig. ‘Pogingen om de as te mengen met aarde en stof bleken niet succesvol als een middel om de as te verbergen’, schrijft Yitzhak Arad in zijn boek over de Operatie Reinhard kampen. De as – vermalen botfragmenten dus – werd uiteindelijk gewoon begraven.

In het geheime ICTR-rapport waar Rever haar geloofwaardigheid aan ontleent, staan een paar verwijzingen naar systematische executies en lijkverbrandingen in de omgeving van Gabiro, maar met veel kleinere slachtofferaantallen: tussen enkele honderden en duizenden. Dat is ook ernstig maar slechts een fractie van de honderdduizenden die Rever er van maakt.

Het voert te ver om in dit artikel alle fouten, gerecycelde anti-Tutsi propaganda en overige merkwaardigheden uit Judi Rever’s boek te bespreken, maar de hier genoemde feiten vormen al voldoende aanleiding om eens aan de uitgever te vragen waarom men heeft besloten om juist dit boek te verheffen tot De Waarheid Over Rwanda, in plaats van eerst een aantal boeken van vertrouwde experts uit te brengen.

   ‘Correcte inhoud’

In de reactie van de Amsterdam University Press (AUP) blijft die vraag onbeantwoord. De uitgever beperkt zich tot een verwijzing naar de uitgever van het originele boek, Random House Canada. Die zou ‘gerenommeerd’ zijn. Verder meent de AUP dat het boek ‘past in een uitgeefbeleid waarin jaarlijks vele titels verschijnen, met een correcte inhoud, over een breed scala aan onderwerpen’. De directeur van de AUP geeft ook niet thuis.

De Canadese uitgever beperkt zich in een reactie voornamelijk tot wat er ook al in het promotiemateriaal van de AUP staat. Op de vraag waarom de politieke affiliatie van Rever niet wordt vermeld – zij is immers nauw betrokken bij de Rwandese politieke oppositie in ballingschap, een aspect dat op een mogelijke belangenverstrengeling kan duiden – komt geen antwoord. De auteur wil zelf niet reageren.

Frank van Vree, de directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) en professor aan de Universiteit van Amsterdam, verzekert dat de AUP niet de mening van de universiteit vertegenwoordigt. De uitgever opereert onafhankelijk. Het NIOD heeft wel ernstige vragen over de publicatie, meldt Van Vree. Een van de onderzoekers van het instituut zal er op een later moment aandacht aan besteden.

Intussen is de vraag gerechtvaardigd waarom de context zoveel verschil uitmaakt bij het wel of niet herkennen van controversiële beweringen over wereldschokkende gebeurtenissen. Voormalig advocaat Jeroen de Kreek, die beweert dat de Holocaust werd veroorzaakt door zionisten, is bijvoorbeeld al een paar keer veroordeeld wegens het beledigen van joden. Vergelijkbare suggesties over de genocide tegen de Tutsi’s worden intussen klakkeloos geaccepteerd.

   Genocide-ontkenners

We kijken daarom nog even naar de dankbetuigingen in Rever’s boek. Daarin noemt ze behalve de al genoemde documentairemakers en enkele reguliere academici ook een paar voormalige Rwandese politici, die haar aan getuigen hebben geholpen, en bedankt ze een rijtje notoire genocide-ontkenners, zoals de reeds genoemde Christopher Black en diens geestverwanten, voor hun ‘onderzoek’ en het delen van ‘belangrijke bewijzen’.

Naar hun voorbeeld ruimt Rever in haar boek ook plaats in om een aantal van de belangrijkste genocide-onderzoekers, zoals de iconische Alison Des Forges van Human Rights Watch, in diskrediet te brengen. Na eerst een onjuiste weergave van het werk van Des Forges te hebben gegeven, beschuldigt Rever haar min of meer als medeplichtig aan de omstandigheden die tot de genocide hebben geleid.

Niet alle informatie van Rever staat overigens ter discussie. Hier en daar gebruikt ze ook vertrouwde bronnen, zoals Gregory Stanton van Genocide Watch, die de gebruikte citaten bevestigt. Maar juist dáár begint de verwarring. Het vermengen van correcte feiten met oude propaganda maakt de puzzel voor leken, en zelfs voor sommige deskundigen, lastig te ontrafelen.

Als revelaties te goed klinken om waar te zijn, een deskundig tegengeluid zorgvuldig achterwege wordt gelaten, en er dubieuze bronnen worden vermeld, zoals in het boek van Judi Rever het geval is, kan de lezer maar beter op zijn of haar hoede zijn.

Het boek De Waarheid Over Rwanda van Judi Rever, een uitgave van Amsterdam University Press, verschijnt op 15 november.

 

Share Button

5 Reacties op De ‘waarheid’ over Rwanda

  • Peter Verlinden schrijft:

    Het zou best zijn dat de geïnteresseerde lezer zelf zijn/haar oordeel vestigt over het boek en zich niet baseert op een ‘recensie’ die bewust de inhoud van het boek verdraait. Het boek van Judi Rever, waarvoor ik het voorwoord geschreven heb voor deze Nederlandstalige versie, is een type-voorbeeld van ‘voortschrijdend inzicht’ zoals we dat in degelijk historisch onderzoek geregeld meemaken. Niet de rapporten en vaststellingen uit 1994-1995 zijn bepalend maar wel wat we na meer dan 20 jaar eindelijk weten en wat we toen niet wisten of konden weten. De onderzoekers van het Rwanda-tribunaal hebben voor hun eerste onderzoeksrapport (uit 2003) ook bijna tien jaar nodig gehad. Het onderzoeksmateriaal dat Judi Rever in haar boek omstandig uitlegt (rapporten en eigen interviews) heeft niets te maken met ‘gerecycelde propaganda uit de jaren ’90’ zoals de heer JvO schrijft, wel integendeel. Maar dat zal de aandachtige lezer ook wel meteen opmerken.

  • Jos van Oijen schrijft:

    Verlinden is een compulsieve fantast. Judi Rever is geen historicus en doet geen academisch onderzoek. Alles wat ik schrijf is gebaseerd op betrouwbare documentatie die iedereen mag opvragen. Het aantal onjuistheden en omissies in haar boek is overigens vele malen groter dan ik in één artikel kwijt kan.

    Dat geldt ook voor het werk van Peter verlinden zelf. De onderstaande passage over het herschrijven van de geschiedenis had ik bijvoorbeeld geschrapt omdat het stuk te lang werd. Helaas is het representatief voor de werkwijze van Verlinden:

    Twintig jaar geleden publiceerde De Morgen al een artikel met de ironisch bedoelde titel “’De waarheid’ over de Rwandese genocide”.[1] De aanleiding was een documentaire van VRT-verslaggever Peter Verlinden waarin twee ooggetuigen – een Belgisch echtpaar met een ranch in Rwanda – vertelden over massale slachtpartijen door het RPF. [2]

    Schokkende beelden van halfvergane lijken illustreerden het verhaal: de Hutu-slachtoffers van het RPF, zo leek het. Maar De Morgen wist te melden dat er algemeen beeldmateriaal was gebruikt. De slachtoffers op de beelden waren dus waarschijnlijk vermoorde Tutsi’s.

    Uit krantenarchieven blijkt bovendien dat het paar in 1994 ook interviews heeft gegeven en toen een heel ander verhaal vertelde.[3] Drie weken lang waren ze door de ‘killing fields’ van de extremistische milities gevlucht voordat ze RPF-gebied bereikten en konden worden geëvacueerd.

    Een specifieke massamoord die Verlinden noemt onder verwijzing naar ‘onafhankelijke bronnen’ is in de literatuur niet terug te vinden en ondanks de aanwezigheid van cameraploegen in de weken daarna toont de documentaire welgeteld één recent slachtoffer waarbij niet duidelijk is of het wel op dezelfde plaats is opgenomen.

    Tegen De Morgen beweerde Verlinden dat hij de informatie van het echtpaar had gecontroleerd in de informatie van twee Belgische missionarissen, Philippe De Vestele en Jaak Broeckx, die tijdens de genocide in het oosten van Rwanda zouden zijn geweest. Maar De Vestele zat in werkelijkheid in het noorden en is naar Oeganda vertrokken toen de genocide begon. Broeckx zat in het uiterste zuidoosten en vertrok naar Tanzania voordat het RPF in zijn omgeving arriveerde. [4]

    Verlinden heeft het hele verhaal uit zijn duim gezogen. Maar zolang niemand controleert wat je doet kan dat blijkbaar.

    ________________________________

    [1] Editorial (1999), “’De Waarheid’ over de Rwandese Genocide”, De Morgen, 14 januari. Zie: https://www.demorgen.be/plus/de-waarheid-over-de-rwandese-genocide-b-1412198579397/

    [2] VRT/Peter Verlinden, The Killing Fields, een aflevering van ‘Panorama’ uit 1999, hier te bekijken in twee delen: https://www.dailymotion.com/playlist/x38m3n

    [3] Buchiziya Mseteka (1994), “Belgian survivor describes Rwandan killing fields”, Reuters News, 1 mei. Artikel is beschikbaar via de Factiva website, maar een daarvan afgeleid artikel van een dag later is hier te lezen: http://articles.latimes.com/1994-05-02/news/mn-53005_1_rwanda-witness-nazi

    [4] Voor De Vestele, zie: Lisa Brille, Etnische breuklijnen in Rwanda: De verschuivende mentaliteit van de Witte Paters in het Rwandese ‘Dual Colonialism’, 1900-1962. Universiteit Gent, 2009, p. 104, Voor Broeckx zie: Portail Catholique Suisse, “Belgique: Un missionnaire belge aux côtés des réfugiés burundais “oubliés” de Tanzanie”. Agence de presse internationale catholique (apic), 6 April 2001.

  • Peter Verlinden schrijft:

    Het artikel van De Morgen uit 1999 heb ik destijds weerlegd omdat het geen correcte weergave was van wat ik toen op de persbriefing over deze Panorama-documentaire gezegd heb. Het heeft geen zin om dat te blijven doen. De heer JvO citeert alweer al te selectief. Zo klopt het helemaal niet dat er algemeen illustratiebeeld was gebruikt. Wel integendeel. Het enige verschil was dat het beeld van op de juiste plaats dateerde van ongeveer twee weken later dan de periode waarover de getuigen praten. Ik heb destijds uitvoerig uitgelegd dat dit voor het RPF nog belastender was. Want op die beelden van nog later zijn wel degelijk en heel duidelijk nieuwe doden te zien in een regio die toen al meer dan drie weken in handen was van het RPF … Judi Rever citeert in haar boek over deze regio in Oost-Rwanda trouwens heel andere getuigen dan ik. dat versterkt alleen maar het verhaal.

    Verder klopt het inderdaad dat het getuigende echtpaar aanvankelijk verklaringen heeft afgelegd waarin ze niét zegden dat een aantal massamoorden die ze zagen door het RPF gepleegd waren. Ze hebben mij ook uitgelegd waarom ze dat toen in het midden lieten: ze wilden namelijk op een veilige plek raken waar het RPF hen niet meer kon raken nadat ze meermaals door RPF-militairen met de dood bedreigd waren en bijvoorbeeld hun naaste medewerker voor hun ogen doodgeschoten was. Je zou van minder een tijdlang zwijgen …

    Nergens heb ik ooit beweerd (behalve fout aangehaald door DM) dat De Vestele en Broeckx ter plaatse waren op het moment dat het RPF moordde. Wel dat zij beschikten over zeer goede informatie van lokale mensen. Het dagboek van Broeckx, gepubliceerd in Dialogue, is glashelder. En zij waren absoluut niet de enigen met wie ik de getuigenissen gecheckt heb.

    Als u werkelijk vindt dat ik “het hele verhaal uit zijn duim gezogen” heb, dan nodig ik u uit om klacht in te dienen bij de Raad voor de Journalistiek in België. Dat kan u ook doen op basis van het voorwoord dat ik geschreven heb voor de Nederlandstalige versie van het boek van Judi Rever want daarin haal ik dit eigen onderzoekswerk aan.

    Tenslotte zou u er goed aan doen om uw lezers correct te informeren over de bronnen van Judi Rever, onder meer twee uitvoerige onderzoeksrapporten van het Rwanda Tribunaal waarvan er één intussen al bekend is. Tenzij u ook de onderzoekers van het Rwanda Tribunaal fantasten noemt …

    • Jos van Oijen schrijft:

      Allemaal geklets. Verlinden weet best dat de Raad voor de Journalistiek
      alleen klachten behandelt van mensen die persoonlijk benadeeld zijn door
      een publicatie. Hij is altijd net vaag genoeg om dat te voorkomen.

      Ik heb de journaaluitzendingen teruggekeken die destijds op de Belgische TV
      zijn vertoond, met beelden die ook in de documentaire zitten, maar daarbij
      was geen sprake van de beweringen die Verlinden doet.

      Broeckx had zijn informatie van mensen in vluchtelingenkampen. Human Rights
      Watch en andere onderzoekers hebben op dezelfde locaties in dezelfde
      periode ook veel getuigen gehoord maar trokken de betrouwbaarheid sterk in
      twijfel. Als je die verhalen later dan alsnog als feiten presenteert moet
      je wel iets van bewijs hebben en dat wordt in de documentaire niet getoond.

      Het echtpaar liet oorspronkelijk helemaal niet in het midden wie de daders
      waren: ze wezen heel overtuigend de milities aan en beschuldigden die met
      allerlei details van ‘nazi-methoden’.

      De informatie van de ‘uitvoerige onderzoeksrapporten’ van het Rwanda
      tribunaal zijn in feite afkomstig van dissidenten en deserteurs in de
      diaspora. Veel van die verklaringen zijn inmiddels achterhaald of
      ingetrokken. Ook hier geldt dat ondersteunend bewijs in de meeste gevallen
      ontbrak.

      Over de methodiek (sommige getuigen spraken later over ‘het kopen’
      van verklaringen door het onderzoeksteam) valt ook wel iets te zeggen.
      Belangrijke delen van Rever’s boek – zoals het Network-verhaal – zijn
      overigens gebaseerd op informatie van deze getuigen. Ik zeg niet dat de
      onderzoekers fantasten waren, maar wel dat de aanklager van het Rwanda
      tribunaal misschien wel goede redenen had om met grote delen van die
      informatie uiteindelijk niets te doen.

      Verder mag ook wel opgemerkt worden dat veel informatie in Rever’s boek
      helemaal niet strookt met de rapporten. Dat is altijd lastig met dit soort
      auteurs. Je moet eerst alles checken en dan kijken wat je overhoudt. Bij
      dit boek is dat ongeveer veertig procent.

      • Jos van Oijen schrijft:

        Nog even een correctie op deze bewering van Verlinden: ‘De onderzoekers van het Rwanda-tribunaal hebben voor hun eerste onderzoeksrapport (uit 2003) ook bijna tien jaar nodig gehad.’

        Het onderzoek is begonnen in 1999. In eerste instantie kon het team geen bewijzen vinden die voldoende belastend waren. Een paar jaar later is men daarom gaan infiltreren in kringen van politieke dissidenten en deserteurs. De informatie van de getuigen die vervolgens zijn gerekruteerd is verzameld in maart-mei 2002.

        Het onderzoek is in 2004 voortgezet. Het zou interessant zijn om het eindrapport te vinden zodat we de conclusies kunnen lezen in plaats van te speculeren op basis van een tussentijds intern briefrapport.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken