Fukuyama: waardigheid en identiteitspolitiek

‘Identiteit kan gebruikt worden om verdeeldheid te zaaien, maar het kan tevens gebruikt worden om mensen te verenigen zoals ook is gebeurd. Dat zal uiteindelijk de remedie zijn tegen de populistische politiek van nu.’

         door Hans Beerends

‘Dit boek zou niet geschreven zijn als in 2016 Trump niet gekozen was als president van de VS.’ Met deze openingszin begint de Amerikaanse politicoloog en filosoof Francis Fukuyama zijn boek Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Ook het recente boek van Naomi Klein, Nee is niet genoeg, en het boek van Martha Nussbaum, Het koninkrijk van de angst, openen met vergelijkbare zinnen.

Alle drie betogen zij dat Trump geen verschijnsel is dat zomaar uit de lucht is komen vallen, maar de logische consequentie van een vrije markteconomie waarin de belangen van grote delen van de traditionele arbeidersklasse en de lagere middenklasse verwaarloosd zijn. Ook in de beschrijving over het karakter van identiteitspolitiek zie je duidelijke overeenkomsten.

Klein en Nussbaum staan bekend als progressieve schrijvers. Fukuyama daarentegen werd als schrijver van zijn spraakmakende boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens (1992) destijds gezien als neoconservatief. (later brak hij met het neoconservatisme vanwege de Amerikaanse inval in Irak) Na de val van de Muur, zo betoogde hij destijds, blijft na het failliet van het fascisme en communisme het democratisch liberalisme (lees: ook kapitalisme) als enige ideologie over.

   Linkse identiteitspolitiek

Vanwege zijn rechtsgezinde oriëntatie is het interessant te lezen hoe zijn visie van de linkse identiteitspolitiek overeenkomt met die van bovengenoemde progressieve schrijvers. Een citaat: ‘Links is zich minder op algemene economische gelijkheid gaan concentreren en meer op het begunstigen van de belangen van allerlei gemarginaliseerde groepen – zwarten, immigranten, vrouwen, latino’s, de LBGT gemeenschap, vluchtelingen enzovoort. Intussen is rechts zichzelf gaan herdefiniëren als zijnde patriotten die de traditionele nationale identiteit willen beschermen, een identiteit die dikwijls expliciet wordt verbonden aan ras, etniciteit of godsdienst.

Ook hier een overeenkomst: alle drie vinden zij het een goede zaak minderheden te steunen die voor hun rechten opkomen. Tegelijkertijd vinden zij dat die aandacht niet ten koste moet gaan van de solidariteit met de economisch zwakken. In de rest van dit eerste hoofdstuk van Fukuyama, met de veelzeggende titel ‘De politiek van de waardigheid’, geeft hij met cijfers aan hoe de helft van de Amerikanen tussen 2000 en 2016 qua inkomen gelijk bleef of achteruit ging, terwijl de 1 procent rijken er aanzienlijk op vooruit is gegaan.

Ergernis over materiële stilstand of achteruitgang mag dan een behoorlijke rol spelen, volgens Fukuyama speelt het feit dat mensen zich vernederd, onbegrepen en niet gewaardeerd voelen minstens zo’n grote rol. Daarmee neemt hij ook afstand van de gangbare economische visie waarbij mensen gezien worden als calculerende wezens die alleen maar uit zijn op economische voordelen. Hij denkt daarbij niet alleen aan personen maar ook aan landen. In Rusland, Turkije en Hongarije blijken dictators in staat mensen aan zich te binden door te hameren op de nationale eer die door concurrerende landen aangetast dreigt te worden.

   Innerlijke overtuiging

Fukuyama zou Fukuyama niet zijn als hij niet zou onderzoeken waar deze sterke behoefte aan waardering en eer vandaan komt. Hij noemt twee belangrijke punten: een algemene universele behoefte aan respect en waardering, en de tegenstelling tussen een authentieke innerlijke overtuiging en het normen- en waardepatroon wat van buitenaf door heersende machten dwingend wordt opgelegd.

Fukuyama ziet kerkhervormer Maarten Luther (1483-1546) en verlichtingsfilosoof Jean Jacques Rousseau (1712-1778) als eersten die het recht op innerlijke overtuiging opeisten. Luther ervoer de vele rituelen die de kerk de gelovigen oplegde als zinloze pogingen om de uiterlijke mens te vormen. Voor hem was het zelfs godslasterlijk om te pogen God om te kopen via uiterlijk vertoon. De eigen innerlijke morele overtuiging, daar ging het hem om. De kerk als intermediair tussen God en mens had daarmee voor hem afgedaan. Niet alleen de kerk, ook de regerende adel legde het volk regels en wetten op.

Bleek Luther zich nog bewust van het feit dat hij, ondanks zijn zondige aard, toch in staat was zelf morele beslissingen te nemen, Rousseau zag de mens als een wezen die van nature goed is. Vanaf het moment echter dat deze goede mens met anderen tot een samenleving kwam, ontstond jaloersheid, hebzucht, haat en geweld. Zowel Luther als Rousseau kozen voor authentieke morele keuzes boven een van buiten opgelegd waardepatroon. Volgens Fukuyama vormde dit de basis voor een ontwikkeling in de 18e eeuw waarin gelijkheid, democratie mensenrechten, sociale strijd en gewetensvrijheid centraal zouden komen te staan.

   Gelijkheid

Zowel in de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring als in de verklaring na de Franse revolutie werden vrijheid en gelijkheid geproclameerd. In de praktijk werd die gelijkheid alleen verleend aan blanke welgestelde mannen. Vervolgens, na veel strijd en in onderstaande volgorde, aan alle blanke mannen, vrouwen, slaven, zwarten en tenslotte aan de LBTG gemeenschap.

Die gelijkheid behelsde in eerste instantie juridische gelijkheid. Op economisch en cultureel niveau was gelijkheid echter nog ver te zoeken. De strijd voor echte gelijkheid ontbrandde in West-Europa en de VS in de bekende jaren ’60 en ’70. In de VS ontstonden op de universiteiten felle discussies over politieke correctheid. Lesprogramma’s waar te weinig vrouwen, zwarten of andere minderheden in vertegenwoordigd waren, werden door activistische studenten afgekeurd.

Gelijkheid bleek in een latere fase niet voor iedereen voldoende te zijn. Men wilde gelijk zijn maar ook erkenning voor het anders zijn. Fukuyama haalt de tegenstelling aan tussen de politieke eisen van Marten Luther King en de na hem komende Black Panthers. Waar de eerste de dringende wens uitsprak dat blanken en zwarten gelijk op zouden wandelen, eisten de Black Panthers een eigen zwarte staat en erkenning van het anders zijn. Ook binnen het feminisme ontstonden groepen die voor die erkenning streden. Dat anders zijn werd niet zelden ook gezien als beter.

   Waardering en oplossing

Voor Fukuyama is de strijd van steeds meer gemarginaliseerde groepen en subgroepen een wenselijke en logische ontwikkeling in het liberale verlichtingsproject. Velen, zo schrijft hij, willen echter meer dan gelijke erkenning als ‘gezichtsloze doorsnee mensen’. Als je in een dictatuur leeft, zo vervolgt hij, zal je democratische rechten moeten zien als het hoogst haalbare ideaal, maar als eenmaal de democratie veroverd is, wordt het een vanzelfsprekende saaiheid. En met die constatering kan identiteitspolitiek een probleem creëren zodra de samenleving opgesplitst dreigt te worden in steeds kleinere op zichzelf gerichte groepen.

De oplossing die Fukuyama aandraagt, is het bevorderen van wederzijds respect voor de specifieke kenmerken van naar erkenning strevende groepen en het aangrijpen van kansen, júist door gebruik te maken van die specifieke eigenschappen en talenten waardoor de democratie beter zal functioneren. Verder moet er snel een eind komen aan wat hij noemt ‘identiteitsgerelateerde misstanden’, zoals nodeloos politiegeweld tegen minderheden alsmede aanranding en ongewenste intimiteiten op school, werk en binnen andere instellingen.

Verder moet links het solidaire contact herstellen met de identiteitsgroep die ooit haar grootste achterban was – de blanke arbeidersklasse. De huidige vervreemding tussen links en haar voormalige achterban heeft geleid tot de opkomst van het rechtse populisme.

   Immigratiepolitiek

In zijn zoektocht naar antwoorden geeft hij ook een oordeel over de immigratiepolitiek van enkele West-Europese landen. De verzuiling in Nederland – waarvan hij kennelijk aanneemt dat die nog in zijn volle glorie bestaat – noemt hij een belemmering voor integratie. Hij kapittelt de instelling van op religie gebaseerde scholen in Engeland en pleit voor ‘gemeenschappelijke scholen’ en voegt daar aan toe dat dit in Nederland nauwelijks haalbaar blijkt.

Officiële scheiding tussen kerk en staat, zoals in Frankrijk, juicht hij toe, maar Frankrijk is in tegenstelling tot Duitsland niet in staat kinderen van immigranten werk te bezorgen (35 procent werkloos). Over het algemeen is hij voor een gebalanceerd beleid op het gebied van immigratie. Als het aantal immigranten te veel stijgt in verhouding tot de autochtone bevolking kan dat tot problemen leiden. Blank stemgedrag tenslotte, zowel in de VS als in Europa, waarmee wordt aangegeven dat men terug wil naar een identiteit gebaseerd op ras, etniciteit of godsdienst moet met kracht de kop worden ingedrukt.

Als immigranten genaturaliseerd worden, zou dat in Europa met wat meer feestelijkheid gepaard moeten gaan. In de VS worden genaturaliseerde burgers onthaald met vaandeldragers, muziek en toespraken van plaatselijke politici. Amerikanen zijn gewoon trots op genaturaliseerde burgers. Wat die burger moet beloven bij zijn naturalisatie zie ik echter in Europa nog niet gebeuren. Lees hierbij de eerste strofe van de verklaring die elke naturalisatiekandidaat moet, en kennelijk met overtuiging, wil afleggen: ‘Hierbij verklaar ik onder ede dat ik elke loyaliteit en trouw aan een buitenlandse vorst, heerser, staat of soevereiniteit van wie of waar ik eerder een onderdaan ben geweest, absoluut en volledig afzweer en zal verloochen.’

Na de vele aantekeningen, vraagtekens, analyses, gesignaleerde problemen en gegeven adviezen, eindigt Fukuyama in zijn slotzin hoopvol. Citaat laatste regel: ‘Identiteit kan gebruikt worden om verdeeldheid te zaaien, maar het kan tevens gebruikt worden om mensen te verenigen zoals ook is gebeurd. Dat zal uiteindelijk de remedie zijn tegen de populistische politiek van nu.’

Fukuyama’s boek is er een boordevol feiten en visie, hier en daar nogal wat herhalingen, maar bevat op zich een aantal verrassende ideeën van een man die toch bekend stond als neoconservatief en die in de jaren ’90 triomfantelijk werd binnen gehaald door alles wat rechts georiënteerd was.

 

 

titel  Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek
auteur  Francis Fukuyama
uitgave  Paperback, 272 pagina’s
uitgever  Atlas Contact, 2019
prijs  19,99 euro
isbn  9789045037806

 

 

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken