Genocide-ontkenning in de media

Wie drukt er op de reset-knop?

Internationale complottheorieën zijn populair. Uitgevers ruiken geld en publiceren het ene controversiële boek na het andere. Een recent voorbeeld is Rwanda 1994, de samenzwering van de machtigen van genocide-ontkenner Jean Flamme.

      door Jos van Oijen

‘Het feit van de Rwandese genocide is onderdeel van de wereldgeschiedenis, een feit dat net zo zeker is als elk ander, een klassiek voorbeeld van een ‘algemeen bekend feit’.’

Met deze uitspraak zette het Internationale Strafhof voor Rwanda (ICTR) in 2006 een streep onder de gewoonte van advocaten om bij elk proces weer opnieuw de genocide tegen de Tutsi’s ter discussie te stellen.

De juridische vaststelling van de genocide sloot aan bij de bevindingen van mensenrechtenorganisaties, wetenschappers, journalisten en internationale waarnemers. Al deze deskundigen waren het erover eens dat extremisten van de Hutu-meerderheid in 1994, met voorbedachte rade, drie kwart van de Tutsi-minderheid in Rwanda hebben uitgeroeid.

    ‘ICTR onwettig’

Jean Flamme

Toch zijn er nog steeds mensen die beweren dat ons een rad voor de ogen is gedraaid. Een van hen is de Vlaamse advocaat Jean Flamme. Tijdens een uitleveringszaak in een Nederlandse rechtbank betoogde hij al dat er „geen geplande genocide en overigens in het geheel geen genocide in juridische zin heeft plaatsgevonden in Rwanda in 1994.”

In zijn boek Rwanda 1994, de samenzwering van de machtigen gaat Flamme nog een stap verder. Het ICTR, volgens de auteur een onwettig, politiek gestuurd orgaan vol CIA-infiltranten, zou hebben meegewerkt aan een gigantische internationale doofpotaffaire door de echte schuldigen van het geweld in Rwanda in bescherming te nemen en onschuldige zondebokken te veroordelen.

Het zijn stevige beschuldigingen, maar de lezer die verwacht een helder verhaal met feiten en bewijzen aan te treffen komt bedrogen uit. Het boek bestaat voor twee derde uit een soort sleutelroman over een fictief proces in Arusha, Tanzania, waar het Strafhof was gevestigd. De meeste personen die de revue passeren zijn geanonimiseerd. Dialogen en gebeurtenissen zijn aangepast of verzonnen.

Toch steunt het boek volgens de auteur op eigen ervaringen: een week in Rwanda kort na de genocide en een klein jaar als advocaat bij het ICTR. Voor de media in Nederland en België was dat voldoende om Flamme’s informatie letterlijk te nemen en hem ruimte te geven om zijn boek te promoten. Maar de fictieve elementen, ontmoetingen met radicale anti-imperialisten en Flamme’s rancune over zijn ontslag bij het Strafhof spelen een grotere rol dan op het eerste gezicht lijkt.

   Zondebok

In het romangedeelte van het boek volgen we de Vlaamse advocaat Jan Bergman die in 2005, net als de auteur zelf, hulpadvocaat werd bij het ICTR. Hij komt terecht in het verdedigingsteam van Aristide Mutaganda, een fictieve genocideverdachte. Mutaganda zou tijdens de genocide, net als Flamme’s echte cliënt Tharcisse Muvunyi, de Hutu-bevolking hebben aangespoord om aan het ‘werk’ te gaan, destijds een eufemisme voor het vermoorden van Tutsi’s.

Maar Bergman is sceptisch over de aanklacht. Hij denkt dat Mutaganda, een voormalig gemeentesecretaris, erin wordt geluisd. De man oogt niet als een extremist en werd pas negen jaar na de genocide out of the blue gearresteerd. Toevallig was zijn voormalige baas, de burgemeester, net benoemd als kabinetschef van het ministerie van Justitie in Rwanda.

Ook dit element lijkt op de zaak van Flamme’s echte cliënt. Muvunyi’s voormalige baas, Marcel Gatsinzi, is in 2002 in de Rwandese regering opgenomen. Voor Flamme is dat voldoende aanleiding om een verband te leggen en kwade opzet te vermoeden. ‘Afrekeningen, zoals men die kent na oorlogen, gebeurden dus ook op het hoogste gerechtelijke en internationale niveau’, schrijft hij daarover in het inleidende deel van het boek.

Maar de aanpassingen in het verhaal zijn opvallender dan de gelijkenissen. Muvunyi was geen weerloze gemeentesecretaris zoals Mutaganda, maar een hoge officier. Hij werd twee jaar voor de benoeming van zijn voormalige commandant gearresteerd, niet kort erna. En Gatsinzi kwam terecht op Defensie, niet bij Justitie. Politiek gezien had hij weinig in de melk te brokkelen.

Om het beeld van de verdachte als onschuldige zondebok geloofwaardig te maken laat Flamme zijn hoofdpersoon ook nog overleggen met Alison Des Forges. Des Forges was tot haar dood in 2009 de belangrijkste Rwanda-expert. Zij is vooral bekend geworden als auteur van het monumentale Leave None to Tell the Story, hét standaardwerk over de genocide van Human Rights Watch.

‘Het was duidelijk dat Alison Des Forges hem in haar onderzoek niet had ontmoet’, schrijft Flamme over het gesprek om de indruk te wekken dat zij op één lijn zaten over de cliënt. Maar het is uitgesloten dat Flamme in real life zo’n gesprek met Des Forges heeft gevoerd. In Leave None to Tell the Story, dat in 1999 is verschenen, noemt zij Muvunyi namelijk meer dan 25 keer.

   Het paard van Troje

Alison Des Forges

Net als Flamme zelf, botst zijn alter ego Bergman na aankomst in Arusha onmiddellijk met zijn collega’s van het verdedigingsteam. Ted Wilson, de fictieve hoofdadvocaat, en assistent Newman lijken de zaak van hun cliënt bewust tegen te werken.

„Wilson? Tja, je noemt daar nu wel iemand”, suggereert een van de personages. „Wist je dat sommigen hem ervan verdenken een Amerikaanse agent te zijn?” Bergman’s argwaan wordt later nog versterkt als een anonieme oud-aanklager hem influistert dat Wilson vrijwel zeker een CIA-agent was. Wilson blijkt niet de enige infiltrant te zijn in Arusha.

Een (door Flamme verzonnen) Amerikaanse ‘directeur’ van het Strafhof zou zelfs rechters manipuleren. Maar de spil in het complot is de griffier van het ICTR, de Senegalees Adama Dieng. Hij zou corrupte advocaten opdringen aan de genocideverdachten om hun verdediging van binnenuit, als een paard van Troje, te saboteren.

„Er werd zoveel mogelijk gewerkt met ‘bevriende’ advocaten, die de verborgen agenda van het opgezette rechtssysteem niet in gevaar zouden brengen”, legt Bergman uit in een van zijn overpeinzingen. Gaandeweg het verhaal blijken ook getuigen en tolken, en dus vrijwel het hele Strafhof besmet te zijn. „Vrijspraak is een woord dat men hier niet kent!”, verzuchten de personages.

Bergman’s collega’s staan model voor de georganiseerde corruptie. Braaf doen zij alles om hun cliënt veroordeeld te krijgen. Bergman doet nog wel zijn best om de onschuld van hun cliënt te bewijzen, maar die onderneming strandt als hij eerst onder verdachte omstandigheden op straat wordt aangereden en vervolgens onder valse voorwendselen wordt ontslagen.

Ook in dit deel van het verhaal zijn er overeenkomsten tussen fictie en werkelijkheid. Flamme is zelf ontslagen door de griffier na aanhoudende ruzies binnen het team. Wrok over die ervaring kan mede verklaren waarom Flamme zijn oud-collega’s afschildert als achterbakse ‘infiltranten’ en de griffier van het ICTR als vertegenwoordiger van het kwaad.

Flamme’s echte collega’s in Arusha waren hoofdadvocaat William Taylor en assistente Cynthia Cline. Cline werkte, net als de fictieve assistent Newman, ook voor een ander verdedigingsteam, namelijk dat van Thomas Moran, net als Taylor afkomstig uit Houston, Texas. Moran staat model voor de fictieve Jim Fields, in het boek een vriend van Wilson.

Na alle verdachtmakingen is het goed om eens te kijken of Flamme’s collega’s hun cliënten er daadwerkelijk hebben ingeluisd. Maar het tegenovergestelde blijkt het geval. Moran en Cline hebben na een lang juridisch gevecht volledige vrijspraak voor hun cliënt bedongen. En Taylor heeft Muvunyi uiteindelijk vrij gepleit van alle aanklachten, op één na. Hij kwam er met een relatief milde straf vanaf.

   Vredesduif

In een schriftelijke reactie houdt Flamme vol dat zijn boek een representatieve weergave van de werkelijkheid is. Niet alleen het inleidende gedeelte, waarin hij nog zichzelf speelt, maar ook het romangedeelte is op waarheid gebaseerd, zo verzekert hij.

‘Het tweede deel van het boek bevat mijn ervaringen en deze van enkele confraters, waaronder John Floyd’, legt hij uit, ‘gegroepeerd in een fictief proces, dat mij dus veel meer vrijheid gaf om alles te vertellen. Alles is gesteund op waar gebeurde feiten, die dus niet fictief zijn. Enkel het kader is dat.’

De genoemde confrater, John Floyd, was de hoofdadvocaat van Hassan Ngeze, een invloedrijke extremist die jarenlang anti-Tutsi propaganda publiceerde in zijn tijdschrift Kangura en tot 35 jaar cel is veroordeeld. Volgens Floyd was Kangura echter geen medium voor haatpropaganda, maar een genuanceerd opinieblad en zijn cliënt eerder een onbegrepen vredesduif dan een extremist.

„Dit is geen rechtbank, mijn beste vriend”, zegt Floyd in het boek tegen Bergman. „Dit is een agentschap van Kagame en co [de president van Rwanda en westerse donoren, red.], dat er enkel toe strekt alle schuld van hetgeen zich heeft afgespeeld op de schouders van het oude regime te leggen. Alle middelen worden hiervoor aangewend. En zo hoopt men de geschiedenis te herschrijven.”

Net als in het geval van Alison Des Forges kun je je afvragen of Flamme en Floyd elkaar wel echt hebben gesproken in Arusha. De zaak van Hassan Ngeze eindigde namelijk in 2003, terwijl Flamme pas in 2005 in Tanzania arriveerde.

Andere controversiële confraters zitten in de roman bij Bergman in het hotel. Hij ontmoet ze regelmatig aan het ontbijt. Het zijn de communist Peter Erlinder en enkele van diens radicale anti-imperialistische geestverwanten uit Canada. Omdat zij de genocide en de legaliteit van het ICTR ontkennen, beschouwt deze groep alle veroordeelde daders als politieke gevangenen.

Flamme bestrijdt echter dat zijn bronnen controversieel zijn: ‘Mr. John Floyd was een gerespecteerd advocaat in Washington DC, oud-voorzitter van de Afro-Amerikaanse advocaten in VS’, schrijft hij in zijn reactie. ‘Professor Peter Erlinder was dit evenzeer. Zonder dat soort advocaten was er in Arusha nooit enige ‘waarheid’ naar boven gehaald.’

Of en waar hij Floyd heeft ontmoet, laat Flamme in het midden. Ook wordt niet duidelijk waarom er zoveel advocaten bij het ICTR waren aangenomen die klaarblijkelijk niet in de categorie ‘CIA-infiltrant’ vielen, als de griffier zo’n strikte selectieprocedure handhaafde. ‘De essentie is dat het ICTR van het begin tot het einde corrupt was’, benadrukt hij. ‘Daar is geen ontkomen aan en ik spreek als getuige. Een advocaat liegt niet over wat hij/zij heeft meegemaakt.’

   Complotdenkers

Dat advocaten nooit zouden jokken, is alleen al door de discrepanties in Flamme’s boek moeilijk vol te houden. Hij vertegenwoordigt nog steeds genocideverdachten en daarmee een versie van de geschiedenis die niet noodzakelijkerwijs iets te maken hoeft te hebben met de realiteit. Zijn versie van de genocide roept in ieder geval de nodige vragen op.

Flamme gebruikt nauwelijks academische bronnen maar oriënteert zich op complotdenkers zoals Erlinder en Floyd en de Canadese journalist Judi Rever. Niet toevallig baseert Rever zich volgens het dankwoord in haar eigen boek ook deels op Erlinder en co. Verder vinden we bij Flamme verwijzingen naar notoire genocide-ontkenners zoals Edward Herman en David Peterson.

In hun alternatieve versie van de geschiedenis zou de Verenigde Staten al jaren voor de genocide een akkoord hebben gesloten met het Rwandees Patriottisch Front, Tutsi-rebellen in het noorden van Rwanda. Eenmaal aan de macht zouden zij een poort openen naar de hoofdprijs van de regio: de bodemschatten in Oost-Congo. Het grootschalige geweld tegen burgers was daarbij ingecalculeerd.

In bredere kring is er weinig steun voor die theorie. In de academische literatuur overheerst juist een beeld van onverschilligheid bij de Verenigde Naties en de angst die destijds in Amerika heerste om kort na het militaire debacle in Somalië in 1993 opnieuw rechtstreeks betrokken te raken bij een ogenschijnlijk uitzichtloze oorlog in Afrika.

„De VS speelde geen enkele rol in de oorlog die voorafging aan de genocide”, zegt Frank Smyth, die indertijd geheime wapenleveranties onderzocht voor Human Rights Watch/Africa. „De VS steunde Oeganda en andere regeringen tegen Soedan. Maar de VS had geen controle over Oeganda en had er destijds geen belang bij dat het RPF Rwanda binnenviel, omdat Rwanda toen werd gesteund door Frankrijk, een NAVO-bondgenoot.”

Er zijn overigens geen aanwijzingen dat Flamme, toen hij als secretaris-generaal van Advocaten zonder Grenzen in de jaren ’90 meewerkte aan de ontwikkeling van een nieuw rechtssysteem in Rwanda, er al radicale denkbeelden op na hield. Integendeel. Een doorsnee complotdenker zou hem er zelfs van kunnen verdenken aan de vermeende samenzwering te hebben meegewerkt.

„We gaan niet alleen naar Rwanda om genocideverdachten te verdedigen”, vertelde Flamme in 1997 aan een journalist van persbureau Reuters. „We gaan ook om de Rwandese autoriteiten te helpen bij het vervolgen van criminelen en het opzetten van een justitieel systeem.” Hij voegde daar aan toe dat zijn organisatie „alle hulp van de Rwandese autoriteiten had ontvangen.”

Toen Flamme in 2005 bij het ICTR werd ontslagen, gebeurde dat mede op verzoek van zijn cliënt Muvunyi, die daarbij naar het Reuters-bericht verwees. Wat zich werkelijk heeft afgespeeld in het verdedigingsteam in Arusha is dus moeilijk in te schatten, maar een feit is wel dat Flamme na die pijnlijke ervaring aanschoof bij het groepje anti-imperialisten dat hij intussen had leren kennen.

   Morele afweging

De timing van verschijning van het boek is ook opvallend. Dit jaar moet Flamme weer aan de bak bij het Assisenhof – een vorm van juryrechtspraak in België – waar hij twee genocideverdachten verdedigt. Sommige Rwanda-kenners menen dat Flamme om die reden alvast de publieke opinie wil beïnvloeden. Vanuit het perspectief van een advocaat geredeneerd zal dat ook wel geoorloofd zijn.

Volgens de Codex Deontologie voor Advocaten, de gedragscode van de Vlaamse advocatenbalie, is elke advocaat verplicht om de belangen van de cliënt ‘boven zijn eigen belangen of die van derden te stellen.’ In Nederland geldt overigens hetzelfde. Hier hoeft een strafpleiter niet eens te controleren of zijn cliënt de waarheid spreekt en mag hij diens opvattingen letterlijk overnemen.

Gerard Spong benadrukte het voorschrift van een strikt eenzijdige belangenbehartiging vorig jaar nog eens in het tv-programma Pauw. „De wet heeft de morele belangenafweging al verricht”, legde Spong uit. „Die hoeven wij niet nog een keer over te doen.”

Dat advocaten zich van de wetgever niet hoeven te vermoeien met morele afwegingen betekent natuurlijk niet dat journalisten daar in mee moeten gaan. Advocaten zijn inmiddels vaste gasten geworden in de media waar zij te pas en te onpas, vaak eenzijdig, hun mening mogen geven. Sommigen hebben daarmee zelfs de status van celebrity bereikt.

Waarschijnlijk is deze trend het gevolg van de moeite die het kost om onafhankelijke deskundigen bereid te vinden om ad hoc commentaar te geven, als men op een redactie al weet bij wie ze moeten zijn. Advocaten zullen daarentegen geen kans onbenut laten om buiten de rechtbank om, zonder noemenswaardige tegenspraak, een pleidooi te houden, al was het maar als reclame voor zichzelf.

   Cirkelredeneringen

Deze trend brengt het gevaar met zich mee dat journalisten gaan geloven in de alternatieve werkelijkheid die zij zelf helpen te creëren. Onlangs wees een eindredacteur van de VPRO mij bijvoorbeeld op een kritiekloos interview met Flamme, in de veronderstelling dat diens boek de theorieën van Judi Rever, die men bij de VPRO ook letterlijk opvat, zou bevestigen. Dit terwijl Flamme haar boek juist als bron gebruikt.

Maar ernstiger dan de cirkelredeneringen van journalisten is dat sommigen actief gaan samenwerken met radicale genocide-ontkenners. Peter Verlinden van de VRT bood zich twee jaar geleden zelfs aan als vrijwilliger bij de RPPSN, een organisatie van de Canadese advocaat John Philpot die is opgericht om ‘de politieke gevangenen van het ICTR’ te steunen.

Christiaan de Beule (midden) in Nieuwspoort. @bertvantoever

Christiaan de Beule, voorzitter van de Belgische tak van de RPPSN en net als Philpot een genocide-ontkenner van het eerste uur, werd een paar maanden na de oprichting nog uitgenodigd in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag, waar hij als ‘deskundige’ mocht deelnemen aan een paneldiscussie tijdens de boekpresentatie van een Vrij Nederland-journalist.

Uit deze en vergelijkbare voorbeelden blijkt dat de weerstand tegen internationale complottheorieën en genocide-ontkenners snel aan het afkalven is, ook bij de voormalige kwaliteitsmedia. De vraag is waar de reset-knop zit en wie daar op gaat drukken.

 

 

titel  Rwanda 1994, de samenzwering van de machtigen
auteur  Jean Flamme
uitgave  Paperback, 272 pagina’s
uitgeverij  Van Halewyck (B)
isbn  978-94-6131-715-5
prijs  € 22,00

Lees ook de reactie van Jean Flamme op deze bijdrage van Jos van Oijen, en wel hier.

Share Button

8 Reacties op Genocide-ontkenning in de media

  • Ing A. De Vos schrijft:

    Helder en goed gedocumenteerd stuk, van Oijen weet dwars door vele onwaarheden heen te prikken met gedegen kennis die ook te controleren valt.

  • Ir. Evert v.d. Pik schrijft:

    Krijg nou wat.

  • Peter Verlinden schrijft:

    Wat de heer JVO over mij schrijft in deze bijdrage is een leugen. Ik heb uiteraard als journalist contacten met het genoemde initiatief. Dat hoort bij mijn opdracht. Niet meer, niet minder.
    Als de rest van zijn tekst even goed geresearched is dan heb ik de grootste twijfels over het waarheidsgehalte ervan.

  • Jos van Oijen schrijft:

    Ik ben geneigd de informatie van de bron serieuzer te nemen dan Verlinden’s reactie. Ik zie niet waarom John Philpot en Roxanne Gendron (de secretaris van de organisatie) zouden liegen over Verlinden’s betrokkenheid, al was het maar omdat hij verschillende van hun actiepunten consequent in de praktijk brengt.

    Het argument dat hij alleen contact met genocide-ontkenners zou hebben uit journalistieke overwegingen is nonsens. Dat argument gebruikt hij al meer dan tien jaar, maar een kritisch artikel over het onderwerp heeft hij nooit geproduceerd. Van het tegenovergestelde zijn meer dan voldoende voorbeelden.

  • Jos van Oijen schrijft:

    Zojuist is onder mijn aandacht gebracht dat Verlinden Twitter gebruikt om mij persoonlijk, in plaats van de bron, te beschuldigen van leugens. Daarmee beschouw ik de discussie met hem voor gesloten.

  • Peter Verlinden schrijft:

    De uitdrukking “Peter Verlinden van de VRT bood zich twee jaar geleden zelfs aan als vrijwilliger bij de RPPSN, een organisatie van de Canadese advocaat John Philpot die is opgericht om ‘de politieke gevangenen van het ICTR’ te steunen.” is een absolute leugen. Ik ben geen vrijwilliger bij deze organisatie. Dat zou veronderstellen dat ik activiteiten voor en in naam van deze organisatie uitvoer en dat gebeurt niet. Ik heb contacten met deze organisatie zoals met vele andere vanuit mijn professionele bezigheden. Zo ook bijvoorbeeld met Jambo. Ook een zeer interessante groep om eerste hand informatie te verkrijgen. Dat is mijn opdracht.
    Als de heer JVO dit vooraf aan mij gevraagd zou hebben, zou ik dat hebben kunnen uitleggen. Wat anderen zeggen heeft geen waarde. Het gaat om mij.
    Dit is en blijft dus een leugen.

  • Jos van Oijen schrijft:

    Jarenlange ervaring leert dat Verlinden niet inhoudelijk op kritische vragen en opmerkingen ingaat. In het beste geval draait hij om de zaken heen. Vorig jaar meldde hij me bovendien dat hij alleen nog reageert op publieke fora, maar daar gebeurt hetzelfde. Zijn laatste opmerking is dus even misleidend als de rest van zijn commentaar.

  • Jos van Oijen schrijft:

    Tot besluit: Vandaag ontving ik informatie over een eerdere discussie met Verlinden op Ravage, eind vorig jaar. Toen ontkende hij met klem (‘nooit heb ik ooit beweerd dat …’) zijn beweringen in De Morgen, die ik aanhaalde omdat ze niet overeenkwamen met de broninformatie. Vervolgens beschuldigde hij de krant ervan zijn uitspraken niet correct te hebben weergegeven, en mij van selectief citeren.
    Maar nu blijkt dat Verlinden in een interview met Humo precies hetzelfde heeft gezegd als wat er in De Morgen stond. Ik ga er niet van uit dat hij twee keer op dezelfde manier foutief geciteerd is. Het lijkt er meer op dat Verlinden, elke keer dat hij op onethisch gedrag betrapt wordt, automatisch doorschakelt naar het beschuldigen van anderen. Zolang hij er mee wegkomt is er geen reden om het anders te doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken