[boek] Groene filosofie

Milieuproblemen moeten niet worden geconfisqueerd door de staat. Roger Scruton verdedigt ook lokale initiatieven boven wereldwijde milieuregelingen en burgerlijke vereniging tegen politiek activisme.

      door Hans Beerends

Mij viel het boek Groene filosofie van de begin dit jaar overleden beroemde conservatieve filosoof Roger Scruton enigszins tegen. Met alles wat conservatief en progressief onderscheidt, was er toch één belangrijke overeenkomst, zo dacht ik. Wij delen met elkaar ons druk te maken over de vernietiging van het milieu en ik was nieuwsgierig waar acties van links en rechts elkaar op dit gebied volgens Scruton zouden overlappen en waar op zinnige en pragmatische wijze samen gewerkt kan worden. Nou van samenwerken met de milieubeweging is geen sprake. Sterker nog, Scruton vindt dat de milieubeweging zich bemoeit met zaken die vooral de gewone lokale burger aangaan.

De passie van Scruton is niet zo zeer gericht op verbetering van het milieu het behoud van de lokale gemeenschap en het milieu. Dat is één van de problemen die de lokale burgerij moet en ook kan oplossen zolang ze niet lastig gevallen wordt door de bureaucratische overheid, door de macht van multinationale bedrijven en door de radicaal-linkse milieubeweging. Socialisme en liberalisme, zo schrijft hij, zijn intrinsiek mondiaal. Het conservatisme is intrinsiek lokaal en zij verdedigt de lokale groep ‘tegen de krachten van wanordelijke verandering’.

   Radicaal-links

Scruton keert zich zowel tegen links, dat hij meestal betitelt als radicaal-links, als tegen een overdreven dominantie van de vrije markt. Waar hij zich echter behoorlijk agressief uit jegens links is hij een stuk milder over de vrije markt. Die vrije markt mag dan ten aanzien van het milieu veel verkeerd doen, volgens Scruton blijven markten ‘zich zelf corrigerende maatschappelijke systemen’ die zich uiteindelijk aanpassen.

In het voorwoord geeft hij reeds aan dat het milieuprobleem een gevolg is van het feit dat mensen hun omgeving niet langer opvatten als hun thuis. Op gepassioneerde wijze beschrijft hij zijn lokaal idealisme als volgt: ‘Thuis, de plek waar we zijn en die van ons samen is; de plek die ons definieert die we in beheer hebben voor onze afstammelingen en die we niet willen bederven’.

Hoofdstuk na hoofdstuk, en in elk hoofdstuk bladzijden lang, wordt dit ideaal herhaald. Ten onrechte wordt volgens Scruton bekommernis over het milieu gezien als iets ‘links’ terwijl het juist de conservatieven waren die zich in de 19e eeuw verzetten tegen de industriële revolutie en de industriële landbouw. Het was de liefde voor het landschap, de liefde voor het eigene, het behoud van het thuis.

Scruton ontkent niet dat het milieuprobleem in de moderne tijd vele malen groter is geworden, maar hij houdt vast aan zijn visie dat dit alleen op te lossen is door de lokale gemeenschap. Internationale overeenkomsten zijn volgens hem weinig effectief en ook als zouden ze het wel zijn dan nog ondermijnen ze de creativiteit, de kracht en het herstelvermogen van de lokale burgerij.

   Charles Dickens

Zijn nostalgische liefde voor al wat vroeger was, en wie weet op sommige plekken in het Engelse platteland nog steeds bestaat, is utopisch. Wat er ook voor verschrikkelijks gebeurt, het zijn nooit de in zijn ogen verfoeilijke activisten die verbetering brengen maar de lokale burgerij.

Hij verhaalt beeldend hoe Charles Dickens schreef over de ellende, armoede en ziektes die ontstonden bij de opkomst van de industrie in Engeland in de 19e eeuw. Maar, zo betoogt hij al, die ellende leidde er ook toe dat de overheid ging zorgen voor riolering en afvalverwerking. En dan komt zijn bijna voorspelbare conclusie: ‘Het is een schoolvoorbeeld van hoe de burgermaatschappij zich aanpast aan milieuverandering’.

In hoeverre het opkomend socialisme in die jaren ook behoorde tot de burgermaatschappij, blijft onvermeld. Wie nou precies bij de ideale lokale gemeenschap behoort, is vaak onduidelijk. Soms gebruikt hij abstracte termen als gemeenschap, de plaatselijke enclave, het thuisgevoel. Ook muntte hij de term oikofilie, de liefde voor het oikos of huishouden. Tegenover al dat moois staat het ook door hem gemunte woord oikofobie, de mens die angst en afkeer heeft voor het eigene. Dat zijn in zijn ogen meestal linkse mensen die geloven dat een meer egalitaire maatschappij mogelijk is.

Het bracht mij tot de volgende vraag: hoort een lokale linkse milieugroep bijvoorbeeld ook bij de burgermaatschappij of bij het dorpseigene, of wordt het pas gevaarlijk als meerdere lokale milieugroepen een grote demonstratie organiseren? Dat laatste vermoed ik. Met linkse milieugroepen heeft Scruton een haat-liefde verhouding waarbij de haat in de regel groter is dan de liefde.

Als de milieubeweging protesteert tegen het milieuvernietigende opdringen van grote bedrijven dan schrijft hij regelmatig dat ze hierin zeker een punt hebben maar nog geen tien regels verder komt het grote MAAR en dat maar betekent bijna voorspelbaar dat onheilsprofeten van links met hun paniek zaaiende landelijke campagnes meer kwaad dan goed doet.

   Opwarming

De landelijke overheid mag nog wel iets doen om problemen op te lossen maar dat iets bestaat dan vooral uit het faciliteren van initiatieven van de plaatselijke gemeenschap. Met internationale maatregelen heeft hij het nog moeilijker. Hij kan er niet onderuit dat opwarming een internationaal probleem is maar dit probleem moet en kan alleen maar opgelost worden door de nationale staat.

Die zucht naar het kleinschalige, het overzichtelijke, leefde met name in de jaren ’70 ook sterk in delen van de linkse beweging. Boeken als Small is beautyfull en de ideologie van de ‘basisbeweging’ deden het goed bij veel activisten. In de derde wereldbeweging – specifiek bij de wereldwinkels waar ik in die jaren actief was – ontstonden regelmatig discussies tussen door de NCO gesubsidieerde vormingswerkers die zich ergerden aan de van bovenaf gedropte landelijke campagnes van onder andere landen/solidariteit comités.

Landelijk opererende activisten juichten dit soort campagnes juist toe omdat zij rechtstreeks politieke invloed wilden uitoefenen op het buitenlands, economisch, cultureel en economische gedrag van de Nederlandse staat ten gunste van de bevrijdingsbeweging in Latijns-Amerika en Zuidelijk Afrika. De discussies en de dilemma’s die geschetst werden, waren bijna vergelijkbaar met de visie van Scruton.

Vormingswerkers waren het wel eens met het doel van de landelijke activisten en uiteindelijk deden ze er ook wel aan mee, maar zij waren bang dat dit soort campagnes de creativiteit, de spontaniteit en het zelfstandig denken van de plaatselijke groep zou ondermijnen. De politieke strategie die zij graag wilden ontwikkelen was het ‘opvoeden’ van de leden van lokale groepen tot kritische, solidaire, op zich zelf vertrouwende mensen die vanuit deze gegroeide mentaliteit zich permanent en spontaan kritisch en oppositioneel zouden opstellen tegenover de overheid en tegenover welke autoriteit dan ook.

   Wet- en regelgeving

Ik kon die redenering wel volgen en stond er zelfs wel sympathiek tegenover, maar hoe lang zou deze groei naar politieke volwassenheid gaan duren en kon je de verzetsbewegingen in het Zuiden daarop laten wachten? Ik koos dus in de regel voor landelijke campagnes en het bevorderen van positieve internationale afspraken. Daar kies ik nog steeds voor.

Heel veel problemen, zoals klimaat maar ook volksgezondheid, eerlijke lonen en het bevorderen van vrede kan vooral opgelost worden door internationale wet- en regelgeving. Handhaving van deze wetten en regels moet worden toevertrouwd aan een internationaal lichaam. Zolang is het nog steeds niet (zie het halfslachtige opvolgen van internationale milieu-, klimaat- en gezondheidsafspraken) maar dat laat onverlet dat de politiek daar naar moet streven

In dat kader kunnen lokale politiek kritische groepen een belangrijke rol spelen, maar dan vooral als gevers van politieke signalen over wat er plaatselijk leeft en als een zich uitbreidend politiek draagvlak ten behoeve van bestaande en/of toekomstige nationale en internationale campagnes.

   Groot en klein

Tenslotte is het wellicht goed om nog eens het boek of de recensie van het boek van Tine Hens te lezen. (Ravage 31/7/2015 onder de titel Als het niet groot kan dan maar klein beginnen) In dit boek geeft zij een inventarisatie van veel lokale ecologisch verantwoorde initiatieven die uitgaan van gemeenschappelijkheid en kleinschaligheid. In tegenstelling tot de meer dogmatische instelling van Scruton staan deze rekkelijken, links georiënteerden niet vijandig tegenover landelijke campagnes, hoewel hun eerste liefde uitgaat naar de plaatselijke groep.

Waar Scruton onaangenaam verrast was door de zijns inziens opdringerige bemoeizucht van de (inter)nationale milieubeweging, zijn de groepen die Tine Hens onderzocht teleurgesteld door het hun inziens te weinige resultaat van die (inter)nationale beweging. Hun motief was daarom in eerste instantie ‘als het niet groot kan dan maar klein beginnen’ terwijl Scruton in feite zegt ‘Als het te groot dreigt te worden moet je terugvallen op het kleine’.

Als allerlaatste nog iets positiefs over het boek. Scruton die eerder zo’n vijftig boeken schreef, kan op erudiete wijze de relatie leggen tussen de wereld van oikos, de liefde voor het eigene en de gedachten en visie van filosofen van honderden jaren terug tot nu, alsmede de visie en uitdrukkingskracht van kunst ook van het verre verleden tot aan de dag van vandaag. Voor de lezer die nieuwsgierig is naar cultuurhistorische verbanden en vergelijkingen is het boek Groene filosofie met als ondertitel – verstandig nadenken over onze planeet een boeiend en zeer leerzaam boek.

 

titel  Groene filosofie – Verstandig nadenken over onze planeet
auteur  Roger Scruton
uitgave  Paperback, 320 blz.
uitgever  Nieuw Amsterdam, 2012
isbn  9789046811238
prijs  € 25,99

 

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

Volg ons op twitter
Zoeker
Rubrieken