Al vroeg raakte ik verslaafd aan de bioscoop. Op zondagmiddag werd mij vijftig cent in de handen gedrukt met de mededeling ‘pak maar een filmpje’. Dan had het thuisfront een dag rust in de tent en ik was even verlost van de zinloze agressie die in het gezin van tijd tot tijd de kop op stak. Dit als gevolg van te veel mensen op te weinig vierkante meters. Als tienjarige in mijn buurt, kwam je vervolgens terecht in een bioscoopzaaltje met de naam ‘Huize Pax’ dat hoorde bij een katholieke kerk waar je als ongelovige voor drie dubbeltjes de avonturen van Roy Rogers (voor ons Rooie Rogge) en Willem Tell kon zien. Meer smaken kende Gods Huis niet.

Sinds die tijd begon de bioscoop als een rode draad door mijn leven te lopen. Maakte niet uit welke film, als ik maar in een zaal kon zitten met een projectiescherm en de hypnotiserende bewegende beelden erop. Zodra ik in een ondraaglijke leegte dreigde terecht te komen, begaf ik me halsoverkop naar de dichtstbijzijnde filmzaal voor een vlucht in de schemerzone. Zo kwam ik als twaalfjarige op een verloren zondagmiddag – op deze dag was Amsterdam als een gereformeerd dorp: geen mens op straat, winkels gesloten, nauwelijks verkeer – terecht in bioscoop Cinetol. Een markant gebouw in de Tolstraat met een koepeldak dat met zijn ronde vorm de Eeuwige Beweging van het Zijn moest uitdrukken, want het was ooit bestemd als Tempel der Theosofie. Waarna een volgende fase aanbrak in mijn verslaving die ik financierde met mijn krantenwijk.

Op de middelbare school, waar ik elke dag te kampen kreeg met het zondagmiddag gevoel, ontdekte ik dat je geen meestervervalser hoeft te zijn om verzuimbriefjes te schrijven. Dat stelde mij in staat de Cineac in de Reguliersbreestraat te bezoeken met zijn doorlopende Polygoonjournaal dat om elf uur begon. Na een paar uur was ik uitgekeken – Cineac draaide om het uur hetzelfde programma – en haastte ik mij om de matinee te halen in de voor mij mooiste bioscoop van de stad, die zich bevond in het vredige Amsterdam-Zuid. De bioscoop met de poëtische naam Cinéma Du Midi, waar Tuschinski, tegenover de Cineac, met zijn kitscherige krullen niet tegenop kon.

Alleen al de sfeer waarin je gedompeld werd wanneer je de karakteristieke constructie van staal en glas binnenliep, met rechts de stenen trap naar de lange steiger van het aangrenzende Apollo Hotel aan een wijde watervlakte waar vijf grachten op uitkwamen, wat een ruimtelijke dimensie aan het gebouw gaf dat je al van grote afstand kon zien. Waar ‘s middags meestal niemand in de zaal zat en je het gevoel kreeg dat de film speciaal voor jou gedraaid werd. Du Midi was een sprookje, alsof je een toverspiegel instapte om de wereld van de verbeelding te betreden. De herinnering staat zo diep in mijn geheugen gegrift dat als ik tegenwoordig de slogan ‘je kan worden wat je wil’ hoor, ik het beeld voor ogen krijg van dat bijzondere gebouw aan het water, en niet meteen denk aan carrièrepraatjes die er bij horen om aspirant-studenten te lokken voor de zoveelste fijne business opleiding. Als ik destijds rond een uur of vijf met knipperende ogen weer buiten stond, dacht ik: ‘wat ik hier leer, kan de school niet tegenop’. Het volgende spijbelbriefje was al geschreven.

Mijn verslaving liep uit de klauw toen ik zelf in een bioscoop ging werken in De Pijp, alleen speelde film hierbij een ondergeschikte rol. Ik ontdekte een parallelle schemerzone. Sociaal als ik was stapte ik met collega’s, oftewel gesjeesde kunstacademiestudenten, gemankeerde musici en anderszins geflipte gevallen die opgesloten zaten in een eigen schemerzone, na het werk de nachtkroeg om de hoek binnen. Alwaar met alcoholische versnaperingen ter ondersteuning heftige discussies plaatsvonden over de film die er op dat moment toe deed, zoals Morte a Venetia van Visconti over inspiratie, vergane glorie en de donkere kanten van het kunstenaarschap. In dat nachtkroegje op de hoek werden aan de randen van de nacht fraaie filosofische kunsttheorieën geboren waar Plato zonder aarzelen mee ingestemd zou hebben. Tot ik op een dag om acht uur in de ochtend met knipperende ogen in het volle daglicht naar buiten kwam rollen en besefte hoe ver ik wel niet verwijderd was geraakt van de oorspronkelijke schemerzone die me ooit gelukkig maakte.

Ron Kretzschmar

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*