Dit voorjaar gebeurde er een wonder; Mark Rutte voorman van de partij die altijd opkomt voor rijken en welgestelden keerde zich tegen de alsmaar stijgende topinkomens van de CEO’s bij het (inter)nationale bedrijfsleven. De winsten klotsen tegen de plinten op zo stelde Rutte en alleen de CEO’s profiteren daarvan terwijl diezelfde CEO’s weigeren om de CAO’s van de gewone werknemer te verhogen. Hij waarschuwde het bedrijfsleven dat hij de voor hen voordelige belastingmaatregelen zou terugdraaien als dit niet spoedig zou veranderen.

Ook Hans De Boer voorzitter van de grootste werkgeversorganisatie VNO-NCW sprak net als Rutte schande over de steeds grotere kloof tussen topinkomens en de inkomens van doorsnee werknemers. Het zou leiden, aldus de Boer, tot grote sociale onvrede, iets waar niemand mee gediend is.

De onvrede bij politici over de alsmaar stijgende topinkomens is niet nieuw. In 1997 sprak de toenmalige premier Wim Kok schande over de exorbitante zelfverrijking. Dat de topinkomens uit de hand lopen kan iedereen constateren. Eind vorige eeuw werd de hoogte van het topinkomen van 10 maal een doorsneesalaris redelijk geacht. Ook de Balkenende-norm met een maximum van rond de twee ton gaat hier van uit. Op dit ogenblik zijn er echter verschillen van 1 op 50 tot 1 op 100 en meer. Een topinkomen van een miljoen ja zelfs van 3 of 8 miljoen per jaar is geen uitzondering meer. In feite is dit een vorm van stelen, juridisch nog steeds toegestaan maar moreel gesproken is het duidelijk diefstal.

Bij die ethische vraag “Wat is stelen?” moet ik altijd terugdenken aan een juridische kwestie die in 2012 in Duitsland speelde. In dat jaar raakten 5 bejaarden, qua leeftijd variërend van 61 tot 83, hun spaargeld kwijt door een sjoemelaar die precies op de rand van de wet balanceerde. Aangifte leidde tot niets. In hun wanhoop ontvoerden de bejaarden de oplichter, sloten hem op en eisten hun geld terug. Ze kregen hun geld terug, lieten de man vrij maar deze daagde de bejaarden voor de rechter. De bejaarden werden beschuldigd van wederrechtelijke vrijheidsberoving en het onder bedreiging afpersen van geld. De bejaarden verdedigden zich met de stelling dat de vrijheidsberoving slechts een korte gevangenisstraf was die deze man verdiende, en dat het zogenaamde afgeperste geld hun eigen zuur verdiende spaargeld was. De rechter had weliswaar begrip voor hun standpunt, maar met het wetboek in de hand kon hij niet anders dan hen een – zij het korte – gevangenisstraf op te leggen.

Maar daarmee was het verhaal niet af. De kwestie leidde tot heftige discussies in juridische, economische en ethische kringen. Mensen ontvoeren, dat kan niet, daar waren ze het gauw over eens, maar vroeg men zich af: waarom mag men juridisch gesproken wel mensen met mooie praatjes geld aftroggelen. Sterker nog: de bankemployee die zich toelegt op het verkopen van schimmige verzekeringen, wordt door zijn baas geprezen en ontvangt aanmoedigingspremies, terwijl zijn collega die zijn klanten waarschuwt voor onverantwoorde risico’s door zijn baas financieel gestraft wordt omdat hij zijn target niet haalt. Iedereen voelt dat er hier iets niet klopt, maar wat precies? Men kwam al gauw op een kloof, deze keer niet de veel besproken kloof tussen hoog en laagopgeleid, zelfs niet, hoewel dat logisch zou zijn, tussen hoog en laag inkomen, maar de kloof tussen de morele grens bij topinkomens en de juridische grens.

Duidelijk werd dat iedereen aanvoelt dat er een morele grens is. De een zal zeggen dat een topinkomen 10 maal modaal kan en mag zijn, een ander zal neigen naar 20 maal, maar ergens, daar was iedereen het over eens, is er een grens. Bekijk je de kwestie echter vanuit een juridische blik dan is de hoogte grenzeloos. Zie de VS, daar bestaan topinkomens van 20 miljoen en meer. De kloof tussen een moreel oordeel en een juridisch oordeel moet gedicht worden, daar was men het over eens maar hoe? Hoe beoordeel je mensen die in dit geval alle morele grenzen overtreden?

Voor mijn gevoel was die exorbitante zelfverrijking duidelijk een vorm van stelen, en om dat gevoel te onderbouwen zocht ik in het woordenboek de betekenis van het woord “stelen”. En wat blijkt; Stelen, zo lees je is “het je toe-eigenen van iets wat een ander toebehoort”. Uitgaande van die definitie was de poging van die Duitse bejaarden hun geld terug te krijgen geen stelen. Hun spaargeld hoorde namelijk niet de sjoemelaar toe. Als je deze kwestie doortrekt, en een morele grens trekt van op zijn allerhoogst een half miljoen, dan is alles wat iemand meer verdient gewoon diefstal. Hoe de overheid die diefstal moet bestraffen blijft een ingewikkelde zaak waar ik en alle juristen, economen en ethici nog niet uit zijn gekomen, maar dat eenmaal de kloof tussen moreel en juridisch handelen gedicht moet worden is
voor steeds meer mensen duidelijk.

Hans Beerends

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*