‘Beste mensen, Cody speelt niet, vanwege de eenvoudige reden dat hij niet bestaat. In plaats hiervan speelt de onvergelijkelijke…’ Er volgde een naam van een onbekende Amsterdamse band die ik me niet kan herinneren. Na deze mededeling liep de presentator gnuivend het podium af, het publiek verward achterlatend. Er klonk een slag op een basdrum gevolgd door snerpende gitaren, spotlights op het podium sprongen aan, de band barstte los. De uitverkochte zaal, even tevoren uitzinnig toen ‘de enige echte Cody’ zou verschijnen, klapte lauwtjes voor de plaatsvervangende band die zo slecht nog niet bleek te zijn.

De ‘virtuoze bluesgitarist uit Texas’ bleek een practical joke van (toen nog) muziekkrant Oor. De krant ergerde zich aan de ‘lokale pop adel’ die begin jaren tachtig de toon zette in de stad. Er was een artistiek apartheidsregime aan het ontstaan. Er kwamen clubs waar uitsluitend ‘leden werkzaam in de creatieve sector’ toegang kregen op vertoon van een strikt persoonlijk pasje, verkregen na strenge accreditatie. De redactie die ‘zich nog verbonden voelde met het roemruchte verleden van undergroundblad Aloha’ bedacht een stunt om de hoofdstedelijke snobcultuur te kakken te zetten. (In de online archieven van Oor en de Muziekencyclopedie is daarover overigens niets terug te vinden.)

De ‘aankomende wereldster’ stond niet aangekondigd op de reguliere concertagenda. Men verspreidde het gerucht in de ‘scene’ dat ‘de onnavolgbare Cody’, even in het land voor een plaatopname, ‘een eenmalig nachtelijk optreden zou geven voor een select publiek in Hotel Krasnapolsky’. Tot een maximum van tweehonderd bezoekers konden fans, mits men aantoonde een creatief beroep te hebben, aanwezig zijn bij het ‘historische optreden’. De ‘audiovisuele scene’ zelf stelde geen vragen en ging er van uit dat men blij was met de aandacht van de Amsterdamse popelite bij het nachtconcert in het ‘Kras’.

Hoe ik daar verzeild raakte? Ik deed niets audiovisueels of zo, wat dat ook mocht inhouden. Binnen glippen bij concerten was mijn ding. Elke keer vond ik wel weer een onbewaakte achterdeur of truc om binnen te komen. In het geval van Kras was dat door de voordeur als roadie met een in elkaar geflanst pasje (misschien was ik toch een beetje audiovisueel). Voor we het fenomeen zouden aanschouwen, hoorde ik in de zaal opgewonden gesprekken: ‘Cody nooit gezien?! Mis je wat man, vorige maand zag ik hem nog in New York. Weer-ga-loos!’ Om er bij te horen, ik voelde me buitengesloten bij zo’n beetje elk gezelschap, audiovisueel of niet, meldde ik mijn ervaring met Cody wanneer dat werd verlangd: ‘Jaha-helemaal te-gek- weet-je-wel!’

Plotseling een harde klap die van rechts kwam. ‘Alstublieft meneer, uw vaasje! Zal ik een taxi bellen?’, vroeg de serveerster op luide zakelijke toon waarbij ze me streng aankeek. Op mijn beurt keek ik naar haar rode schort dat tot aan de voeten kwam waarop ‘Café DouDou’ stond te lezen. Sinds ik daar was neergestreken vroeg ik me af hoe zij in hoog tempo met zware bladen bier kilometers kon afleggen zonder te struikelen. ‘Eh neuh schat… ‘k blijf nog effe in het zonnetje zitten als je het niet erg vindt. Pas op dat je niet valt hoor!’ Met het dienblad onder de arm liep ze met snelle passen naar binnen, praatte met een collega, om door het raam af en toe geïrriteerd in mijn richting te knikken.

Maar goed, nog even over dat voorval met die spookgitarist… Bij nader inzien weet ik niet goed meer of het Oor was die het organiseerde of muziekblad Vinyl. Wat ik wel weet is dat nu ruim veertig jaar na Kras, op dit prijzige terras bevolkt door handelaren in gebakken lucht, in voormalige volksbuurt de Pijp dat je een ‘vrije sector getto’ kan noemen met woningen voor 2.500 euro per maand, mij zonder valse sentimenten terug doet verlangen naar de truttige audiovisuele fratsen van de jaren tachtig. Niet alle gebakken lucht is hetzelfde.

Ron Kretzschmar

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*