De middenpartijen die van de bijstand bewust een ‘systeem van wantrouwen’ maakten waaruit nauwelijks te ontsnappen viel, beweren nu dat de regels te streng zijn. Er zijn beroepsgroepen die ze dat niet in dank zullen afnemen. 

‘Ik hoop zo dat jullie voor ons kiezen!’ beëindigde ze haar toespraak, dankbaar nam ze een slokje van het glas water dat haar collega haar aanreikte. De vrouw op het podium had een uur lang een bevlogen toespraak gehouden om ons te overtuigen voor ‘haar project’ te kiezen zoals ze de opleiding noemde. ‘De formulierenbrigadier’, legde ze uit, ‘vult formulieren in voor mensen die dat zelf niet kunnen. Dat zijn er meer dan je denkt hoor.’ Het leertraject met een paar vakken duurde een half jaar waar je na een examen een diploma kreeg dat ‘helaas niet geldig was op de echte arbeidsmarkt’. Waarop iemand in de zaal de vraag stelde: ‘Mevrouw, wat hebben we dan aan dat diploma?’ Ze nam net een slokje water, verslikte zich, om na wat geproest met een opmerking te komen die ik nog vele malen zou horen zodra ik me binnen de muren van de Sociale Dienst zou begeven: ‘Dit is zo’n typisch voorbeeld van hoe de werkloze denkt. Denk in mogelijkheden, niet in beperkingen’, daarbij keek ze vriendelijk naar de vragensteller. ‘Ga eens na, is dat niet de reden waarom jij vandaag hier zit’ waarna ze kordaat het podium afliep. 

 We vatten het betoog van de spreekster zo op dat we de vrijheid hadden om voor deze opleiding te kiezen. In de brief stond nadrukkelijk vermeld dat we als ontvangers van bijstand op straffe van korting van de uitkering deze middag moesten komen. Daar zat geen letter keuzevrijheid bij. Toen de lichten in de zaal aansprongen, stak onvrede de kop op: ‘Ik heb net een zesjarige opleiding afgerond, moet ik nu mijn tijd gaan verdoen aan een diplomaatje dat niet geldig is?’ beweerde een boze stem. ‘Als je goed naar haar luistert’, klonk ergens in het midden, ‘kan je zo de deur uitlopen.’    

 Meer aanwezigen, en ik ook, dachten aan die mogelijkheid, want er stond een lange rij bij de uitgang te wachten tot de deur open zou gaan. Maar die zou gesloten blijven. Een medewerker van de sociale dienst, met achter hem een potige man van de Security, stond voor de deur geduldig uit te leggen dat we alleen naar buiten mochten als we onze naam opgaven bij iemand die een paar meter verder achter een tafeltje zat. Om toe te voegen: ‘Daarna krijg je een oproep thuis van je klantmanager om uit te leggen waarom je de kans laat lopen om Formulierenbrigadier te worden’. Waarop hij er met een knikje van zijn hoofd op liet volgen: ‘Ik zou me daar maar voor de opleiding aanmelden als ik jullie was’. Waarna de rij zich eensgezind naar het tafeltje schuifelde voor een toekomst bij de Formulierenbrigade. 

Het waren die dagen dat ik tussen tijdelijke contracten en uitzendbaantjes door na overlijden van een dierbare overspannen raakte, geen rechten had opgebouwd voor WW, waardoor ik bijstand moest aanvragen om verstrikt te raken in een ‘systeem van wantrouwen’ dat de naam Dienst Werk en Inkomen droeg. Aangezien werkgevers niet zaten te wachten op sollicitanten uit de bijstand, zat je voor je het wist opgesloten in een krankzinnig circuit. Je kwam er bijna niet in, zat je er eenmaal in, dan kwam je er haast niet uit. De oorzaak lag bij het beleid van de middenpartijen die van de bijstand een voorziening maakten waar een afschrikwekkende werking van moest uitgaan: Zorg dat je nooit tussen die losers terecht komt! 

Je stapte in een carrousel waar je van integratietraject naar integratietraject werd geduwd, van onderzoek naar onderzoek, van beoordeling naar beoordeling, waarvan het niet de bedoeling was je uit te laten stromen naar een normaal betaalde baan, al was dat wel de mantra bij elk traject: ‘alles voor de baan!’ Er stroomden wel mensen uit, die werkten met behoud van uitkering zonder vooruitzicht op financiële verbetering. Ze werden uitbesteed door de gemeente aan particuliere bedrijven die daar een leuk centje aan verdienden. Bijstandsgerechtigden moesten verplicht dozen vouwen, gebouwen schoonmaken of in de groenvoorziening werken. De kassa’s van de re-integratiecowboys, rijkelijk gevoed met gemeenschapsgeld, rinkelden onafgebroken. Ik zag het als werkvoorziening voor artsen, psychologen, maatschappelijk werkers, arbeidsdeskundigen, docenten, werkmeesters, administratieve afdelingen, die in de ‘reïntegratieindustrie’ een goed belegde boterham verdienden. Mogelijk gemaakt dankzij langdurig werklozen, een dankbaar alibi om dit in stand te houden. 

Ron Kretzschmar

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*