Modernisme, postmodernisme en metamodernisme. De eerste twee begrippen zijn mij bekend; het laatste begrip werd mij aangereikt op 5 Juli tijdens een studieavond van de UvA op Spui 25 over de maatschappelijke visie van de zogeheten Z generatie oftewel de millennials, jongeren geboren rond het jaar 2000. Deze jongeren geloven niet meer in het modernisme; de filosofie van de grote positieve toekomstverhalen. Maar deze verhalen volledig verwerpen zoals gebeurt in het post-modernistisch denken, willen ze ook niet.  

Geconfronteerd met de hedendaagse problemen als het klimaat en de groeiende tegenstelling tussen rijk en arm, worden ze heen en weer geslingerd tussen een groot verlangen naar een betere menswaardiger maatschappij en de stellige overtuiging van de onmogelijkheid daarvan. Het resultaat van deze slingerbeweging is een grote mate van ironie. Men wil wel meewerken aan een duurzame wereld maar je moet dat ook weer niet te serieus willen. Actievoeren met een knipoog. Het mag niet te serieus zijn want dat wordt gezien als naïef. Of zoals een millennial het zei “Ik wil wel opkomen voor een beter klimaat maar ik ga me niet aansluiten bij die milieugekkies”. En een andere millennial; “als het moet kom ik op voor mijn rechten als vrouw maar feminisme is iets van mijn oma”.

Sociale wetenschappers Kersten en Verstraten bestudeerden deze ironische uitlatingen van jongeren op Instagram, Twitter en TikTok en noemden deze houding metamodernisme. In feite een voortdurend heen en weer slingeren tussen grote modernistische betrokkenheid en postmodernistische twijfel. Een slingeren tussen idealisme en pragmatisme. Idealen mogen weer maar zonder het dogmatisme van het modernisme. 

Hoe was dat vroeger? 

Geconfronteerd met dit voor mij nieuwe begrip vroeg ik me af vanuit welke visie activisten uit de jaren 60 opereerden en hoe dat verder ging. In grote lijnen werden politieke acties en het maatschappelijk denken in de jaren 60/70 en de eerste helft van de jaren 80 geïnspireerd door de grote modernistische verhalen van het marxistische, radicaal christelijke en sociaalliberaal denken. De samenleving ging met vallen en opstaan vooruit in technisch, sociaal, economisch en met name moreel opzicht. Zo dacht men en het doel van acties en demonstraties was tijdelijke negatieve terugvallen te bestrijden en het positieve evolutionaire proces te versnellen.

Dit hoopvolle en vertrouwenwekkende beeld liep midden jaren 80 ten einde. Ondanks de destalinisatie bleef de onderdrukking en onvrijheid in het reële socialisme in Rusland en Oost-Europa bestaan, de sociaaldemocratie leidde tot bemoeizuchtigheid en het klassieke liberalisme maakte zijn pretentie van vrijheid, een gezond milieu en een redelijk inkomen voor iedere aardbewoner niet waar.

Zoals zo vaak lopen filosofen voorop bij het constateren van een verandering in de tijdgeest. In 1979 schreef de Franse filosoof Jean-François Lyotard zijn boek ‘La condition postmoderne’. Daarin beschrijft hij hoe de grote verhalen, de hoopvolle visies over een glorieuze toekomst op drijfzand berusten. Het is een en al utopie. Mensen kunnen zich, aldus deze filosoof, beter pragmatisch opstellen en zich bezighouden met het verwezenlijken van kleine doelen. Zijn visie werd overgenomen door meerdere Franse filosofen. Typisch is dat veel van die filosofen zich voor die tijd marxist noemden, overigens zonder lid te zijn van de communistische partij. Natuurlijk waren er ook filosofen die vasthielden aan het modernisme met zijn grote verhalen (o.a. Habermas en Chomsky) maar een nieuwe trend was gezet. 

In Nederland leidde dat politiek tot het afbreken van de verzorgingsstaat te beginnen bij het “no nonsense” kabinet van Lubbers in 1987 gevolgd door de den Uyl lezing van Wim Kok in 1995 waarmee hij afscheid nam van het sociaaldemocratische gedachtengoed. Evenzeer komt deze postmodernistische houding sterk naar voren door uitspraken van premier Rutte. Rutte is er zelfs trots op dat hij geen visie heeft. “Visie” zo zei hij “is als een roze olifant in de kamer – het belemmert het zicht op de werkelijkheid”. “Wie last heeft van een visie moet naar de oogarts”, zo beëindigde hij zoals altijd grappend zijn betoog.

De problemen, ontstaan door een visieloos beleid, stapelen zich echter op. Eerst de financiële bankencrisis in 2008, die afgekocht kon worden door het pompen van honderden miljarden dollars en euro’s om de banken overeind te houden. Vervolgens kwam de klimaatcrisis, de stikstofcrisis, de groeiende kloof tussen rijk en arm, de zorgcrisis, de toeslagenaffaire en de huisvestingscrisis. Bovendien dreigt het gevaar van de opkomst van extreemrechts in de VS, Rusland, Oost-Europa, Brazilië en het aanzetten daartoe in West-Europa.  

Tegen deze gevaarlijke ontwikkelingen moeten de huidige twintigjarigen wel optreden. Zij zijn namelijk de generatie die straks, zeg over 15 a 20 jaar volop met de consequenties van deze crises te maken krijgen. Dat zij twijfelen aan de hoopvolle modernistische visie van hun ouders en grootouders lijkt me logisch. Dat ze ook het postmodernistische nihilisme verwerpen, maakt dat ze, zoals eerder gezegd, schommelaars zijn tussen hoop en vertwijfeling.

Wie weet zal dit metamodernisme op korte termijn evolueren naar een nieuwe vertrouwenwekkende praktische visie. Een redelijk te behalen wereldwijd toekomstverhaal op basis waarvan de huidige twintigers de volgende 60 à 75 levensjaren op een menswaardige wijze kunnen leven. 

Ik als onverbeterlijke modernist hoop daarop en geloof daarin en wens hun alle kracht en creativiteit die ze nodig zullen hebben.

Hans beerends

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

*